Matteüs 27:54

Orde van dienst (Middelburg middagdienst)
Psalm 71,1.2
Psalm 71,11
lezen MatteŁs 27:27-54
Psalm 22,1-3.8.9
tekst MatteŁs 27:54
Gezang 18
Gezang 19,4

Loenen-Abcoude 01/04/94
de houdbaarheidsdatum van deze preek is verstreken

<<<


Broeders en zusters, geliefd in onze Heer, Jezus Christus,


We gedenken op Goede Vrijdag de kruisdood van onze heiland. Vanavond wilde ik daar graag eens met u op terugkijken via de uitspraak van de romeinse wacht bij het kruis, de hoofdman, de centurio en zijn mannen. Vers 54 is namelijk niet zomaar één van de 66 verzen van Matteüs 27. Het gaat in onze tekst om een onthullende uitspraak, die de verhaaleenheid vanaf vers 27 afsluit en een diepere laag ervan aan de dag brengt. Laten we eerst eens even kijken naar de structuur, de opbouw van het verhaal hier. Dat het in het gedeelte dat we met elkaar gelezen hebben gaat om een zelfstandig onderdeel van het evangelie naar Matteüs, is te zien aan de overgang bij vers 26 en 27. In de verzen 11 tot en met 26 is de procesgang voor Pilatus beschreven. Handelende persoon is de hele tijd Pilatus, hij stelt de vragen, hij levert tenslotte Jezus over om gekruisigd te worden (vers 26). Daarmee verdwijnt Pilatus van het toneel. Stadhouders bemoeiden zich niet met kruisigingen. Het vuile werk lieten ze over aan hun soldaten. Die soldaten van de stadhouder nemen dan ook vanaf vers 27 het initiatief over. Met vers 27 begint de historie van Jezus’ kruisdood. Met vers 54 wordt die afgesloten. In vers 55 worden nieuwe personen geïntroduceerd, de vrouwen, vooral Maria van Magdala en Maria de moeder van Jakobus en Jozef. Zij zullen de hoofdrol spelen in het volgende onderdeel van de geschiedenis: Jezus’ begrafenis en opstanding.

Deze verhaal-eenheid over de kruisiging valt nu verder in drie kleinere onderdelen uiteen. In de verzen 27-38 lezen we het verhaal van de eigenlijke kruisiging. Met vers 38 is de situatie compleet: er staan drie kruizen en Jezus hangt in het midden. De verzen 39-44 vertellen dan over de algemene bespotting van de Here Jezus om de situatie waarin Hij is terecht gekomen. Het verhaal houdt hier even de pas in en houdt, net als de voorbijgangers, even stil bij het kruis. Dan, in vers 45 begint er pas werkelijk iets te gebeuren. Duisternis komt over het land en aan het eind daarvan roept Jezus met luide stem. Dat is heel opvallend. Tot nu toe had Hij er immers vrijwel het zwijgen toe gedaan. Het initiatief wordt overgenomen door een Ander, en meteen begint het de mensen rond het kruis uit de hand te lopen. Ze weten niet meer goed wat ze moeten doen: Hem te drinken geven of niet (vers 48 en 49). Dan roept Jezus het opnieuw uit en sterft, en loopt het de omstanders helemaal uit de hand. Verbijsterd moeten ze toezien bij een bevende aarde en scheurende rotsen, en horen van een gescheurd voorhangsel in de tempel en lege graven. Uit dat alles trekken vervolgens de romeinse soldaten de enige juiste conclusie: werkelijk, deze wás de Zoon van God. Dit was geen normale kruisdood, zoals er door het hele romeinse rijk duizenden werden gestorven, hier blijkt het te gaan om de dood van Gods Zoon.


En dat zegt meteen iets over het hele verhaal van de kruisiging van Christus. De uitspraak: werkelijk, deze wás de Zoon van God grijpt terug op het voorgaande en veroordeelt het. Laten we, om dat goed te zien, nog eens bij het begin, in vers 27, beginnen, en de structuur die we net hebben geschetst wat invullen. In het eerste deel (vers 27-38) zijn duidelijke de soldaten de handelende personen. Zij handelen met de Here Jezus, Hij zelf laat in het eerste gedeelte van het verhaal maar één keer iets van zich merken, in vers 34, als Hij weigert om de wijn-met-gal te drinken. Juist daarmee onderstreept Hij echter nog eens dat zij, dat de soldaten met Hem handelen: Hij doet niet mee met het spel dat zij met Hem opvoeren. Want dat was het, een groot theaterstuk dat opgevoerd werd rond deze kruiseling. Nu had iedere kruisiging iets van een morbide volksvermaak. U kunt zich wellicht van de kerkgeschiedenisvertellingen op school nog wel herinneren dat in de tijd van de Reformatie de brandstapels opgericht werden op de markt en in de tijd van de Franse Revolutie de guillotine voor iedereen zichtbaar stond opgesteld. Voor een openbare executie liep veel volk te hoop om toe te kijken en te griezelen en zich gerust te laten stellen dat het recht zijn loop had, maar ook wel om te genieten van het spektakel van het sterven. Dat laatste was bij de openbare executie van de kruisiging nog sterker het geval, want bij een kruisiging was nog veel meer te zien. Het was bovendien normaal een langzame dood, met veel bloed en pijn, die heel veel variatie toeliet en een beroep deed op de sadistische fantasie van de beulen en de toeschouwers. Een kruisiging werd met wrede zorg vorm gegeven tot een theaterachtig geheel, waarbij de toeschouwers ook zelf konden meespelen in spot en hoon, zoals we in de verzen 39-44 kunnen zien.

Zo is het bij de kruisiging van de Here Jezus ook gegaan. Het wrede spel werd hier opgevoerd rond zijn pretentie de Zoon van God en de Koning van Israël te zijn. En dat van het begin af. De Here Jezus wordt door de soldaten spottend als koning verkleed en begroet. Het hele detachement wordt erbij geroepen om deze koning eens waardig te ontvangen, uit te lachen en te mishandelen. Dit is een koning om op te spugen. Op weg naar de executieplaats laten ze een voorbijganger als dienaar de kruisbalk als teken van zijn ’waardigheid’ achter deze koning aandragen. Daar aangekomen bieden ze Hem een welkomstdrank aan van dubieuze samenstelling: proost, jodenkoning! Als bij een verslagen vorst verdelen ze de buit onder zijn ogen. Op het kruis wordt vermeld: Dit is Jezus, de jodenkoning. En als lijfwacht kruisigen ze twee bandieten links en rechts van Hem. Alles staat in het teken van zijn vermeende koningschap, van het begin tot het einde, van het: Gegroet, koning van de joden! van vers 29 tot het: Dit is Jezus, de jodenkoning, van vers 37. Hier zijn vaklui-regisseurs aan het werk. Deze soldaten wisten wat kruisigen was.

Dit prachtige en kleurrijke geheel valt dan ook in goede aarde bij de voorbijgangers. Ze hebben de boodschap van dit theaterstuk heel goed begrepen, en doen er van harte in mee: als je de Zoon van God bent, red jezelf! Hij is de koning van Israël, laat hij nu van dat kruis afkomen en we zullen in hem geloven! Hij heeft toch gezegd: Ik ben de Zoon van God, laat God hem dan bevrijden! Matteüs houdt hier, in de gang van zijn vertelling, bewust even bij in. Hij legt er de nadruk op dat de spot hier algemeen is: soldaten, voorbijgangers, overpriesters, schriftgeleerden en oudsten, en ook de bandieten die zijn lijfwacht moesten vormen, ze zijn het er over eens: als Jezus werkelijk de Zoon van God en de koning van Israël zou zijn, dan zou Hij hier niet hangen, of tenminste niet blijven hangen. Een Zoon van God die sterft aan een kruis is een onmogelijkheid. Dus is Hij het niet, dus is zijn dood terecht, want Hij pretendeerde het wel te zijn. Hij heeft zich aan God gelijk gesteld, het lasterlijke daarvan komt nu wel overduidelijk uit. Laat God hem maar eens bevrijden als Hij dan zo’n welgevallen aan hem heeft. Hij heeft toch gezegd: Ik ben de Zoon van God?


Bij dit diepe spottende vraagteken staan we, als in vers 45 echt iets begint te gebeuren. Blijkens Markus 15 hing de Here Jezus toen al drie uur aan het kruis. Dan trekt de hemel dicht en wordt de zon verduisterd, midden op de dag van twaalf tot drie uur ’s middags. Het is geen gewone zonsverduistering, die immers maar een paar minuten duurt en bovendien in die jaren ook niet heeft plaatsgevonden en trouwens überhaupt niet kan plaatsvinden bij volle maan, op pasen. Donkere wolken verduisteren de hemel, en zetten het hele land in een sinistere schemer. Hoe de bij de kruisiging betrokken mensen daarop gereageerd hebben wordt ons nergens verteld. Wat uit het vervolg duidelijk blijkt is, dat het initiatief hen geheel uit handen genomen is. Hier beginnen merkwaardige dingen te gebeuren. God zelf gaat zich ermee bemoeien. En na de spottende vraag van vers 43 is het alsof God wil zeggen: bevrijding uit de hemel zal niet komen. God keert Jezus de rug toe, drie uur lang. De vloek van God over de gehangene wordt zichtbaar, ja haast tastbaar gemaakt. Jezus blijft overgegeven aan de algemene spot. Ja sterker, Jezus blijkt daaraan overgegeven door God zelf. God zelf stemt in met deze kruisiging, Hij is het er kennelijk mee eens: de Here Jezus moet sterven, ook volgens God zelf.


Maar wat is er dan aan de hand? Stemt God ook in met de beschuldiging tegen Jezus, dat Hij zich ten onrechte de Zoon van God en Koning van Israël genoemd had? Wat gebeurt hier? Drie uur lang stijgt de spanning. Dan roept Jezus met luide stem, in zijn moedertaal: Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten? Die vraag moeten we niet te snel op zichzelf nemen. Dat naar de vraag zelf kijken mag natuurlijk wel, het moet ook. Het is de diepste vraag uit de geschiedenis, waarin alle vragen die wij hebben over de gang van zaken in de wereld en in ons leven in samen komen. Het is terecht als het avondmaalsformulier de gedachtenis aan het lijden als in een climax op deze vraagroep uit laat lopen: toen riep Hij het uit, opdat wij nooit meer door God verlaten zouden worden. Dat is alles waar en het is goed als we bij het lezen van dit lijdensevangelie onwillekeurig stukken avondmaalsformulier in onze gedachten krijgen. Maar we moeten ook kijken naar het verband hier. En dan staan we voor de vraag: waarom riep de Here Jezus dit met luide stem?


Niet uit woede, uit boosheid op God, dat die Hem in de steek gelaten had. Dat zou niet passen bij de andere kruiswoorden die we van de Here Jezus kennen. Als Hij sterft, roept Hij opnieuw luidkeels, maar we leren uit Lucas dat Hij toen heeft gezegd: Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest. Dat is geen boze of opstandige taal. Het luide van het roepen is niet gericht op God, maar op de mensen die bij het kruis stonden. Iedereen moest het horen, want hier is het antwoord op de vraag: wat gebeurt hier? De woorden die de Here Jezus roept zijn namelijk niet zomaar woorden. Ze zijn een citaat uit Psalm 22, waar we een paar verzen van gezongen hebben. En door middel van dit citaat roept Christus deze hele psalm in herinnering. Wat hier gebeurt is de vervulling van Psalm 22. En laten we ons dan maar te binnen brengen dat dit de eerste keer is dat Christus hier iets zegt. Bij alles tot nu toe heeft Hij gezwegen, Hij heeft het geduld, geleden. Maar nu gaat Hij spreken, en iedereen moet het horen, want dit is wat hier werkelijk aan het gebeuren is, de hele tijd al, maar nu vooral. De spot hebben we bezongen in vers 3 en 8, het verdobbelen van de kleding, het doorboren van handen en voeten, het is beschreven in Psalm 22: zo moest het gaan, zo wilde God het. Hij heeft Hem inderdaad verlaten, Hij antwoord niet. Dat is wat hier gebeurt.


En Christus zelf verkondigt het. En dat niet in zwakte, maar met kracht: Hij roept het luidkeels. Het weerklinkt over Golgota. Dat moeten we goed vasthouden, want de lijdende Christus hier is geen meelijwekkende Christus. Nergens in de bijbel wordt zielig gedaan over zijn dood. Als we Hem horen roepen: Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?, dan doet dat geen beroep op ons medelijden met Christus’ eenzaamheid, maar dan roept ons dat op tot zelfonderzoek: inderdaad, waarom hing Hij daar? Wij worden niet geacht medelijden te hebben met Christus, maar te leren erkennen dat we zijn medelijden met ons, zijn lijden voor ons nodig hebben. Hier moest iemand sterven, voorzegd als het was door Psalm 22 en zoveel andere profetieën meer, voor ons. Dat moeten we weten. Daarom verkondigt Hij het ons zelf. In de taal van zondag 12 van de catechismus gezegd: Christus draagt zijn priesterlijk lijden zelf, koninklijk en verklaart en verkondigt het ons zelf, als profeet, tot het einde toe. Zo leren we Hem ook hier belijden als de Christus, de Zoon van de levende God.


Maar daarmee heb ik al vooruit gegrepen op vers 54. Want onder het kruis is de spot nog niet voorbij. De woorden worden verbasterd tot een: Hij roept Elia. Maar er ligt een besef van dat hier iets aan het gebeuren is op de bodem van de woorden: Laten we eens kijken of Elia hem komt redden! En de zekerheid is weg: de een wil Hem te drinken geven, anderen zeggen: niet doen! De regie is de soldaten uit handen genomen. Achter elkaar blijkt nu dat het hier niet gaat om een gewoon mens die gekruisigd wordt, maar om de Zoon van God die zich liet kruisigen en die nu met macht zijn leven aflegt, om het straks weer te nemen. Opnieuw met macht en opnieuw met een psalmcitaat (Psalm 31,6) riep Christus luidkeels dat Hij zijn geest in de handen van zijn Vader gaf, en deed dat ook met die woorden. De laatste woorden van een mens, zijn normaal fluisterende woorden. Met de kracht om zichzelf in leven te houden is meestal ook de kracht om te spreken verloren. Maar hier sterft niet iemand die zichzelf niet meer in leven kan houden. Hier legt de Zoon zijn leven af, met de macht die zijn Vader Hem daarvoor had gegeven. En Hij laat horen wat Hij doet. Dat moeten we horen, want het is voor ons.


En wat dat betekent, het wordt duidelijk uit wat er nu gebeurt. Op en rond Golgota loopt nu alles uit de hand. De aarde beeft en rotsen scheuren, rotsgraven waarvan er in die buurt veel waren, gingen open. Hier gaat iemand niet uit zwakheid, maar met macht de dood binnen en zoals boze geesten vaak onder luid geschreeuw een bezetene verlieten op bevel van Christus, zo stuipt hier de dood en schokt de aarde. Het is over met de macht van de dood, niet pas met pasen, daar blijkt dat op ongedachte wijze, maar al op goede vrijdag: vele ontslapen heiligen staan op en verschijnen later, na pasen, in Jeruzalem. Hoe we ons dat precies moeten indenken vind ik hier niet zo belangrijk. U leest er thuis maar eens iets over na, Van Bruggen op Matteüs bijvoorbeeld. Wat hier duidelijk is en wij dus moeten vasthouden is de boodschap dat door Christus’ dood voor ons, de dood zijn macht ontnomen is. Opnieuw kunnen we hier verband leggen met Psalm 22, nu het slot: ook de doden zullen God prijzen, de mensen die zichzelf niet meer in leven hebben kunnen houden.


Maar er is meer: uit de tempel komt bericht dat het voorhangsel tussen het heilige en het allerheiligste van boven naar beneden doormidden is gescheurd. Van bóven naar beneden: het is de hand van God die scheurt. Dit is in eerste instantie Gods antwoord op het lijden en sterven van zijn Zoon. Wat dat betekent weten we maar al te goed. De afscheiding tussen God en zijn volk verdwijnt, de toegang tot Gods troon is open voor ieder die maar binnen wil in de naam van Christus. Maar Matteüs herinnert ons er hier weer aan dat dit alles mogelijk werd door de dood van Gods Zoon. De toegang tot Gods troon en de nabijheid van zijn liefde komen tot ons via de Godverlaten dood van Christus, als van het lam Gods, dat de zonden der wereld wegdraagt. Met onze schuld is Hij gestorven en zo heeft Hij haar weggedaan. Dat kon alleen de Zoon van God zelf. Dat komt uit in wat gebeurt bij zijn dood.


Dat brengt dan ook de hoofdman, de centurio van de romeinse wacht en zijn mannen tot de juiste conclusie: werkelijk deze wás de Zoon van God. Waar we vóór Christus zelf het initiatief in de kruisiging van hen overnam in de verzen 39-44 stilstonden bij de gezamenlijke mening van soldaten, toeschouwers en joodse leiders dat Jezus de Zoon van God en de koning van Israël niet zijn kon, vanwege zijn kruisiging, zo keert nu dóór Christus’ optreden en de effecten daarvan de conclusie zich om: Hij moet wel zijn geweest was Hij pretendeerde te zijn juist vanwege déze kruisdood. Maar daarmee is heel het proces, en heel het theaterspel rond de kruisiging meteen veroordeeld als een misdaad tegen een onschuldige. Het is begrijpelijk dat de soldaten bang waren. Wat voor consequenties zitten hier aan vast? Wat voor misdaad is de justitiële moord op de Zoon van God?

Maar Matteüs vertelt ons dit niet om ons te laten fantaseren over hoe het met deze soldaten afgelopen is - ze zullen bij de evangelieverkondiging niet zijn overgeslagen.. - het gaat hem om de conclusie is getrokken wordt: werkelijk, deze wás de Zoon van God. Daarmee wordt heel de vertelling over de kruisiging van de Here Jezus afgesloten. Dat bleek er werkelijk aan de hand te zijn. En deze conclusie wordt getrokken door de romeinen en niet door de vele joden of discipelen van Jezus die in de buurt waren. Bij Lucas lezen we dat er meer mensen onder de indruk waren van de gebeurtenissen dan deze romeinen. Toch noemt Matteüs speciaal hen. Laten we daar tenslotte nog even bij stilstaan. Je zou kunnen zeggen dat Matteüs op die manier aandacht vraagt voor de verharding van het joodse volk en het ongeloof van de leerlingen. Dat is wellicht ook zo. Tenslotte blijkt die verharding van de joden in het vervolg in de vraag om verzegeling van het graf van ’die misleider’ en komt het ongeloof van de leerlingen uit in hun lauwe reactie op pasen. Toch lijkt me het waarschijnlijker dat we nog ergens anders aan moeten denken.


Als we ons even te binnen brengen hoe Christus het hele gebeuren van zijn kruisdood betrok op Psalm 22 en in die psalm verder lezen naar het slot, dan komen we in de onberijmde psalm bij vers 28 en in de berijmde bij vers 13 ook te spreken over heidenen die God erkennen in wat Hij gedaan heeft. Dat Matteüs hier juist de soldaten sprekend invoert om de diepte van het gebeuren aan te duiden kon tegen deze achtergrond wel eens eerder een voorbode zijn van het positieve dat het heil van Christus’ dood naar de heidenen gaat. Het gaat bij deze Zoon van God immers om het lam van God dat de zonden van de wereld wegdraagt. Zo gezien is het spreken van deze soldaten een voorbode van het spreken van vele volken, die op het getuigenis mede van hen zich laten overtuigen: werkelijk, deze wás de Zoon van God. Hij is gestorven met macht, heeft zijn leven afgelegd voor ons, joden én voormalige heidenen. Als we dat nog weer eens hebben gezien, dat het hier niet gaat om een meelijwekkend mens die gekruisigd wordt, maar om de Zoon van God die zich uit medelijden met ons liet kruisigen om ons te redden van zonde en dood, dan hebben we voor vanavond weer genoeg gezien. Want dat is ons leven. Amen.


<<<