Handelingen 1:1-11

Orde van dienst (Middelburg morgendienst)
Psalm 47,1.2
Psalm 47,3.4
lezen Lucas 24:44-53
Psalm 9,1.5-8
tekst Handelingen 1:1-11
Gezang 2,4
Psalm 145,2.3

Loenen-Abcoude 11/05/94
de houdbaarheidsdatum van deze preek is verstreken

<<<


Broeders en zusters, geliefd in onze Heer, Jezus Christus,


Het koninkrijk van God was de centrale boodschap waarmee de Here Jezus rondging tijdens zijn leven op aarde. Steden en dorpen trok Hij langs met de boodschap dat het koninkrijk van God nabij gekomen was. De nieuwe wereld, de nieuwe hemel en de nieuwe aarde waarop God samen met zijn kinderen in gerechtigheid, vrede en vreugde wonen zou, was zeer nabij gekomen. Het hoeft ons dus niet te verbazen dat Christus na zijn opstanding die prediking weer opneemt. Bij zijn verschijningen aan zijn discipelen spreekt Hij met hen over het koninkrijk van God, zegt vers 3. Het hoeft ons aan de andere kant ook niet te verbazen dat de discipelen in reactie op zijn woorden vragen: Heer, herstelt U in deze tijd het koninkrijk voor Israël? Zij verwachten de komst van het koninkrijk nu zeer snel. Nu Christus zo majesteitelijk is opgestaan, nu zal Hij binnenkort toch ook wel optreden als koning van Israël en rechter over de wereld. Zal Hij nu niet alle tegenstand gaan breken, alle onrecht wegdoen en de hele wereld onder zijn gezag gaan brengen? Dat blijkt niet zo te zijn. En dat zegt iets. Het zegt iets over hemelvaart.

Hemelvaart is het feest van het geduld van de drieënige God. En geduld is de lange adem van de hartstocht. Dat zie je aan het ouderwetse woord dat vaak voor het geduld van God gebruikt wordt: lankmoedigheid. Geduld veronderstelt een lange adem, geduld veronderstelt dat je weet wat je wilt en dat je kracht genoeg hebt om te wachten en te werken tot je bereikt wat je bereiken wilt, ondanks alle tegenstand, ondanks alle vertraging. Dat is bij God ook zo. En over wat God dan wil heeft Hij ons niet in het ongewisse gelaten: inderdaad, Hij wil een nieuwe hemel en een nieuwe aarde maken waarop Hij met zijn kinderen samen wonen kan in gerechtigheid, vreugde en vrede voor altijd. Maar Hij wil ook dat zoveel mogelijk mensen behouden worden en tot erkentenis van de waarheid komen (1 Tim. 2:4). En behouden word je als je gelooft in de Here Jezus. En niemand kan geloven in Hem als niet eerst van Hem verteld wordt, wat Hij heeft gedaan voor ons. Daarom horen Christus’ hemelvaart en ons getuigenis van Christus bij elkaar. Christus gaat naar de hemel, naar het centrum van de macht, Hij bestijgt zijn troon als machthebber over alle werkelijkheid om vandaaruit des te beter met ons tek unnen zijn bij ons getuigen van Hem.

Omdat God drieënig nog zoveel mensen, ook ons, wilde bereiken met het evangelie van genade en verzoening, daarom is Christus naar de hemel gegaan. Daarom neemt Hij afscheid van zijn discipelen juist met de woorden van vers 8 uit onze tekst: jullie zullen mijn getuigen zijn tot het einde van de aarde. Daar hoort bij hemelvaart als het feest van het geduld van God. Laten we daarom vanmorgen zo bij Christus’ hemelvaart stilstaan: Christus’ hemelvaart betekent voor ons getuigen. En als we dat nog iets verder uitwerken dan krijgen we: Hemelvaart betekent voor ons: zolang als de Vader dat wil, in de kracht van de Geest, getuigen van de Zoon. Dus: Hemelvaart betekent voor ons: zolang als de Vader dat wil, in de kracht van de Geest, getuigen van de Zoon.


Laten we nog eens even terug gaan naar de vraag van de discipelen. Ik zei al, dat is geen verbazingwekkende vraag. De discipelen stellen hem als reactie op Christus’ woorden in vers 5. Daarin had de Here Jezus zich aangesloten bij de prediking van Johannes de Doper: Johannes doopte met water, maar u zult met de Heilige Geest gedoopt worden. Nu had Johannes de Doper de woorden ’Hij die na mij komt is sterker dan ik, Hij zal u dopen met de Heilige Geest en met vuur’, altijd laten volgen door de aankondiging van het gericht: ’de wan is in zijn hand om zijn dorsvloer geheel te zuiveren en het graan in zijn schuur bijeen te brengen, maar het kaf zal Hij verbranden met onuitblusbaar vuur’ (Luc. 3:16.17). Als Christus dan spreekt over de doop met de Heilige Geest binnen enkele dagen, is het begrijpelijk dat de leerlingen het komende gericht ook binnen afzienbare tijd verwachten.

En ze verwachten dat gericht als het herstel van de troon van David in Israël. De koning op die troon zal de wereldrechter zijn. De HERE verzamelt de volken van de aarde en richt hen als Koning te Jeruzalem. Zo staat het immers keer op keer in het Oude Testament, in Micha 4, in Zacharia 14, in Daniël 7, in Jeremia 23, in Jesaja 9 en Jesaja 24. Misschien hebben de discipelen nog wel gedacht aan de belofte die Chrsitus hen ruim veertig dagen geleden had gedaan: ’Ik beschik u het koninkrijk, zoals mijn Vader het Mij beschikt heeft. En u zult zitten op tronen om de twaalf stammen van Israël te richten’ (Luc. 22:29.30). Oog in oog met de opgestane Koning verwachten de leerlingen nu ieder moment de onthulling van zijn koningschap voor ieders oog.

Wij moeten hen daarbij niet vastpinnen op hun verleden en doen alsof zij nog steeds een koninkrijk van de Messias verwachten op het platte vlak van de aardse politiek, alsof zij ook de laatste dagen niets geleerd hadden. Zij hadden Jezus van Nazaret leren zien als de Christus, al in Lucas 9, bij de belijdenis van Petrus. Zij hadden tenslotte, toen de Christus na zijn opstanding hun verstand opende, Hem ook leren zien als de lijdende Knecht des HEREN (Lucas 24:45). Ze verwachtten Hem nu zó als de komende Wereldrechter, als de komende Koning van Israël. Daarin heeft de grote Leermeester van de kerk hen ook niet gecorrigeerd. "Herstelt U in deze tijd het koninkrijk voor Israël?" vroegen ze. De tijd ging hun niet aan: daarin heeft Christus hun verwachting bijgesteld en daarin heeft Hij zijn onderwijs over het koninkrijk weer opgenomen. Van de tijd waarop en de situatie waarin de Zoon des mensen zal komen als Rechter en alle mensen zijn koninklijk gezag zullen zien, van die tijd weet alleen de Vader. Maar dat Hij zal komen om te oordelen de levenden en de doden als Levensvorst uit Davids huis, dat gelooft en belijdt de kerk nog altijd.

Daarvan hebben wij dan ook te getuigen: zoals Christus heengegaan is, zo zal Hij terug komen, en dan om te oordelen de levenden en de doden. Dan komt het koninkrijk van God in kracht en heerlijkheid. Maar vóór die tijd is het de tijd van het geduld. En dat geduld duurt zolang als de Vader het wil. De beslissing over het moment van de definitieve komst van het koninkrijk heeft de Vader volledig in eigen beheer gehouden. Hij heeft het aan niemand verteld, zelf niet aan de Zoon. De Vader alleen beslist over het tijdschema van de geschiedenis. Hij bepaalt de volheid van de tijd waarop Hij zijn Zoon zendt. Hij bepaalt de volheid van de tijd waarop de Geest uitgestort zal worden (de belofte van de Vader!). Hij bepaalt de volheid van de tijd dat Christus als Wereldrechter de troon van zijn vader David zal bestijgen en de bruiloft van het Lam begint. Dat is het eigen werk van de Vader. Hij is de Meester over de tijden.

Dat is geen mensenzaak, net zomin als de hele komst van het koninkrijk een mensenzaak is. Mensen dragen aan de oprichting van het koninkrijk van God niets bij. Het overkomt hen. Zo leert ons Daniël al, dat het koninkrijk van God komt als een steen, die zonder toedoen van mensenhanden losraakt, aan het rollen slaat en alle mensenkoninkrijken verplettert (Dan. 2:34). Dat is zo volstrekt, dat mensen zelfs geen inzage krijgen in het tijdschema dat de Vader voor de komst van het koninkrijk heeft opgesteld. Dat onderstreept dubbel en dwars dat het koninkrijk der hemelen uit de hemel komt, van boven. Wij kunnen ons er slechts op voorbereiden en ervan getuigen dàt het komt. Johannes de Doper preekte niet: "Israël, te wapen! Het koninkrijk der hemelen komt eraan en God heeft nog huursoldaten nodig!" Nee: "Bekeert u", riep hij, "want het koninkrijk komt eraan!"

Dat moeten ook wij beseffen bij ons getuigenis van Christus. Zomin als het koninkrijk, zomin zijn de tijden vna het koninkrijk ons in handen gegeven. Gód heeft een dag bepaald, wij weten niet wanneer. Het is onze zaak om klaar te staan, en onze zaak daarvan te vertellen. Het is niet onze zaak de tijden te weten, maar onze zaak de tijden uit te kopen. Zo heeft Paulus gepreekt in Athene: "God verkondigt, met voorbijzien van de tijden van onwetendheid, heden aan de mensen, dat zij allen overal tot bekering moeten komen, omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen door Jezus Christus" (Hand. 17:30.31). Deze prediking heeft ook ons bereikt en aangestoken. Zij heeft nog niets van haar kracht verloren. Zo leren ook wij hier vna Christus: het koninkrijk komt eraan, de Vader weet wanneer. Misschien morgen wel, bekeert u dus heden. Laten wij dat doen, telkens weer en deze verkondiging doorgeven zoveel wij kunnen. Het is aan ons te getuigen dat Christus komt ne op de troon van David rechter over de wereld zal zijn, want met Hem komt het koninkrijk op het moment dat de Vader heeft bepaald.


En dat getuigenis kunnen we geven in de kracht van de Geest. Want het antwoord van de Here Jezus op de vraag van zijn discipelen gaat verder dan: het is Vaders geheim wanneer. Ook vers 8 hoort bij het antwoord op de vraag van vers 6. Het laatste woord blijft bij God, maar het eerste woord krijgen de leerlingen te horen: er komt vanuit de hemel kracht vrij. Nog geen hemels rijk op aarde, maar al wel krachten van een hemels rijk door de Heilige Geest. Christus wordt nog geen koning op aarde, Hij wordt het in de hemel. Maar zijn overmachtige positie wordt al openbaar op aarde in de kracht van de Heilige Geest. De kracht van de Geest is het teken van de macht van de Zoon. Zo hebben de discipelen dat ook begrepen. Zo zegt Petrus het ook in zijn Pinksterpreek. De hemelse werkelijkheid van de macht van de Zoon heeft gevolgen op aarde: zij ontketent de krachten van de Geest.

Niet dat de Geest er voordien niet was. Integendeel, Christus zelf heeft zijn taak in de kracht van de Geest volbracht. Zo tekent Lucas Hem bijvoorbeeld in hoofdstuk 4 van zijn evangelie als de Gezalfde met de Geest in de kracht van de Geest. De Geest is de grote motor van Gods verlossingswerk. Hij is de drijvende kracht. Dat is het eigen werk van de Geest. Maar nu zal de Geest zijn krachten ten volle ontplooien: de machtige dynamiek van de Geest reikt tot aan de einden van de aarde. En daarin neemt Hij mensen mee. Hij werkt door mensen heen. Hij maakt getuigen van ons, ieder met onze eigen mogelijkheden. Hij opent ons de ogen voor het machtige werk dat God in Christus voor ons heeft gedaan en maakt ons inventief om allerlei manieren te vinden waarop wij, in onze eigen omgeving en met onze eigen contacten, die grote daden van God verder kunnen vertellen. Zo wil God dat, want Hij wil mensen bereiken met zijn evangelie. Daarvoor heeft Hij geduld.

Het is duidelijk dat dit getuigen van ons geen prestatie is die wij nu inbrengen, een dienst die wij nu op eigen initiatief en in eigen kracht aan God aanbieden. Dat blijkt alleen al uit het feit dat het de kracht van de Geest is die de discipelen en ook ons tot getuigen maakt. Het blijkt echter ook uit de aard van het getuigen zelf. Daarvoor bladeren we even terug naar Lucas 24. In vers 46 en volgende lezen we daar, dat Christus tot zijn discipelen zei: "Aldus staat er geschreven, dat de Christus moest lijden en ten derden dage opstaan uit de doden, en dat in zijn naam moest gepredikt worden bekering tot vergeving der zonden aan alle volken, te beginnen bij Jeruzalem. U bent getuigen van deze dingen." De apostelen zijn er dus maar geen getuigen van, dat er bepaalde dingen gebeurd zijn, die zij toevallig hebben gezien. Nee, zij zijn er getuigen van dat bepaalde Schriften zijn vervuld, dat er beloften zijn uitgekomen, dat precies gebeurd is wat er voorzegd is door de Heilige Geest. Zij zijn er getuigen van, dat God de grote daden verrichtte die Hij zelf had toegezegd. Daar hebben zij zelf de hand niet in gehad. Getuigen is geen prestatie. Ze konden bij hun getuigenis dus hun eigen spierballen niet laten zien, maar moesten wijzen op de kracht van de gekomen beloofde Koning.

Dat is het blijvende karakter van de prediking van de kerk van Christus. Het ware getuigenis wijst van zichzelf af, naar de vervulling van de beloften van God. Ons getuigenis vandaag heeft een ander kaliber dan dat van de apostelen toen: wij getuigen in de eerste plaats met hun getuigenis mee en vervolgens en mede op basis daarvan ook van Gods grote daden naar zijn Woord in ons eigen leven. Toch blijft ook ons getuigen datzelfde karakter dragen van wijzen op de vervulling van de beloften van God en blijft het een woord van overweldigde mensen, onder de indruk gekomen van wat God heeft gedaan in Christus voor ons.


Want daarom gaat het. Getuigen van Mij, zegt Jezus in vers 8, en dat over de hele wereld. Jezus Christus en zijn volbrachte werk als vervulling van Gods beloften zijn blijkbaar het doorvertellen meer dan waard. Wat Hij gedaan heeft moet tot in de meest afgelegen streken iedereen bereiken en tot ieders hart doordringen, zo groot en machtig is het. In Lucas 24 wordt dat ’mijn getuigen zijn’ breder uitgewerkt tot het getuige ervan zijn dat is uitgekomen wat er staat geschreven, dat de Christus moest lijden en ten derden dage opstaan uit de doden, en dat in zijn Naam moest gepredikt worden bekering tot vergeving van zonden aan alle volken te beginnen bij Jeruzalem. Christus’ lijden, sterven en opstanding duiden op zijn volbrachte en aanvaarde offer voor onze zonden. Dat is het centrale werk van de Zoon in het verlossingswerk van de Drieënige. Zo kan nu vrijuit worden gepredikt dat er vergeving van zonden is voor ieder die in Hem gelooft. Maar die prediking gaat uit als het werk al klaar is. Dat onderstreept nog eens hoe weinig ons getuigen een prestatie van ons is, maar helemaal leeft van wat God gedaan heeft. Wij vertellen van wat Christus gedaan heeft zonder ons voor ons. Dat is het typische van Gods verlossingswerk, dat zondige mensen daaraan geen bijdrage leveren. Getuigen van Christus betekent telkens weer vertellen dat God alles al voor ons gedaan heeft, dat het al klaar is, al volbracht is, dat ons presteren niet meer hoeft, dat Hij ons al is vóór geweest.

Dat getuigenis moet de wereld in, in de tijd van Gods geduld. De tijd tussen hemelvaart en wederkomst is voluit de tijd van Gods geduld. Dat vieren we met hemelvaart. God heeft nog geen punt gezet achter de geschiedenis. Hij wil nog meer mensen als zijn kinderen opnemen in zijn koninkrijk. Precies daarom is de primaire taak van de kerk nu: preken, verkondigen, vertellen, doorgeven, voorleven, uitbeelden, noem maar op, van wat God wel niet heeft gedaan in Jezus Christus, naar zijn Woord, op zijn tijd, in de kracht van de Geest. Dat is niet alleen de taak van de kerk in de zin van: de taak van dominees en zendelingen. Het is de taak van heel de gemeente, ieder op eigen wijs en naar eigen mogelijkheden. Zo zien we in Handelingen verderop ook de hele gemeente getuigen van wat God naar zijn belofte heeft gedaan. Getuigend tonen wij ons pas ware leden van de gemeente van Christus.

Dat zet een stempel op ons leven, als het goed is. Wat wij geloven en dus ook doorvertellen, moeten we ook leven. Wij spreken van Christus, zolang de Vader dat wil. En hoe lang dat is, weet Hij alleen. Daar moeten we dus mee rekenen in ons leven, want anders strijdt het met onze boodschap. Daarom zegt Paulus heel concreet in 1 Korintiërs 7: "Laten zij die een vrouw hebben zijn als zonder vrouw; die wenen als weenden zij niet; die blij zijn als waren zij niet blij; die kopen als zouden zij er niets van behouden; die van de wereld gebruik maken als zouden zij haar niet ten einde toe gebruiken. Want het uiterlijk van deze wereld is bezig te verdwijnen." Dat mogen we wel beseffen op hemelvaart. Want zoals Hij heengegaan is, zo zal Hij weerkomen - misschien vandaag wel. Tenslotte is iedere dag voorlopig de jongste dag.

Wij spreken van Christus, en wie spreken wil van Christus zal moeten tonen gewassen, geheiligd en gerechtvaardigd te zijn door de naam van de Here Jezus en door de Geest van onze God. Wie onrechtvaardig is, op wat voor manier dan ook, die vloekt met de boodschap die hij brengt. Daarom hebben wij in dat alles de Geest van God broodnodig. Hij is het die ons de kracht geeft de boodschap niet alleen te verkondigen, maar ook te leven. Hij opent ons immers telkens weer de ogen voor Christus, voor de liefde van God, zoals die naar ons toekomt in zijn levensgang voor ons. Hij maakt ons nieuw. Hij maakt ons open voor God en voor elkaar. Hij laat ons spreken, zolang God het wil, van Christus, onze Heiland, in de tijd van het geduld van God: de lange adem die God heeft om zoveel mogelijk mensen, ook ons, bijeen te brengen voor zijn koninkrijk. Amen.


<<<