Hebreeën 13:14

Orde van dienst (Kampen morgendienst)
Psalm 125,1.2
Psalm 125,3.4
lezen Hebreeën 11:1-16
Liedboek gezang 103
lezen Hebreeën 13:8-16
tekst Hebreeën 13:14
Psalm 121
Liedboek gezang 281

Orde van dienst (Kampen middagdienst)
Psalm 125,1.2
Lezen HebreeŽn 11:1-16
Liedboek gezang 103
lezen HebreeŽn 13:8-16
tekst HebreeŽn 13:14
Psalm 121
Gezang 27,8.9
Liedboek gezang 281

Loenen-Abcoude 22/07/01
Mijdrecht 22/07/01
Zeist 19/08/01
Driebergen 26/08/01

<<<


Broeders en zusters, geliefd in onze Heer, Jezus Christus,


Niet kunnen blijven. Weer afscheid moeten nemen. Niet kunnen blijven staan, maar verder moeten. In deze tijd van het jaar kunnen we ons er meer bij voorstellen dan anders. Niemand blijft op haar vakantie-adres. Van je nieuwe vrienden op de camping moet je aan het eind van je vakantie weer afscheid nemen. Op trektocht kun je niet blijven staan genieten van een vergezicht, je moet verder. Je vakantie-plek is geen blijvende plek voor je. Na jou komen andere gasten, andere huurders. Vroeger of later is het tijd om dag te zeggen, afscheid te nemen.

Je weet het al als je weg gaat: dit is voor twee, drie, misschien vier weken. Dan is het voorbij. Zo stel je je dan ook op. Je geniet er eens extra van: tenslotte is het volgende week voorbij. Je bent voorzichtiger dan thuis: het is allemaal niet van jou. Tegelijk ook zorgelozer: tenslotte is het allemaal niet van jou. Voor je het weet vertel je weet-ik-wat aan iemand die je twee weken terug nog nooit had gezien. En waarom ook niet? Na volgende week zul je hem waarschijnlijk ook nooit meer zien. Wat je ook meemaakt, het speelt zich uiteindelijk allemaal af op een parkeerplaats onderweg, onderweg toch weer naar huis.

Dat zijn allemaal ervaringen die we goed kunnen gebruiken bij het lezen van Hebreeën. Ze helpen iets begrijpen van wat er bedoeld wordt hier. Wij hebben hier geen blijvende stad. We zoeken de toekomstige stad. Daar zijn we thuis. Hier kunnen we niet blijven. Dag zeggen, afscheid moeten nemen, het is de grote regel van het christenleven. Onderweg zijn. Zelfs de belangrijkste, de mooie, de tragische momenten van ons leven, het zijn stopplaatsen onderweg, meer niet. Zodra we er meer van maken zijn we in gevaar. Het is als blijven staan op een bergrug, niet verder willen, omdat het zo mooi is - tot het onweer komt.

Heel dat levensgevoel dat bij vakantie, bij op reis zijn hoort, dat voorzichtig-zorgeloze, dat besef van zo weer weg te gaan en afscheid te moeten nemen, dat levensgevoel raakt het levensbesef dat Hebreeën schetst als het christelijke levensbesef. We hebben hier geen blijvende stad, maar we zoeken de toekomstige, wij zijn op weg naar de komende stad.

Het lijkt me de moeite waard om daar eens over na te denken in deze tijd. Het is tenslotte ook een tijd van bezinning, van terug denken en vooruit kijken, van stil staan en dan een nieuwe aanloop nemen. Gebruik dan deze ervaringen die iedereen kent van vakantie - of we nu weg gaan of thuis blijven dit jaar - gebruik dan die ervaringen eens om na te denken over je eigen leven. Kan ik dat, leven alsof m’n hele leven een vakantie-verblijf is, dat maar even duurt, dat voorbij gaat, en dan moeten we verder? Kunnen we dat besef een plaats geven, dat ons eigen huis, onze eigen maatschappelijke positie, alles wat van ons is, over een paar jaar-weken weer voor een ander is gereserveerd? Dat wij dan weer verder moeten, afscheid nemen, dag zeggen, op weg naar de komende stad?

Kunnen we dat besef een plaats geven, dat ons werk, onze ambities, onze verantwoordelijkheid en alles waar we ons verder druk over maken, dat dat allemaal maar voor even is, iets wat je doet op een tussenstation, waar je overstapt? Kunnen we dat besef een plaats geven, dat onze pijn, onze angst, onze boosheid en onze opwinding, zich uiteindelijk allemaal afspelen op zo’n parkeerplaats langs de rijksweg, waar je samen aan zo’n bank-tafel kunt gaan zitten, eten, een spelletje doen, je rommel in de prullenbakken doen, en dan, hup, weer verder?

Mensen die dat kunnen, die kun je herkennen. Mensen die de genade hebben gekregen zo te kunnen leven, die vallen op doordat ze altijd iets van die vakantie-sfeer om zich heen hebben: een bodem van blijdschap, van ontspanning, een sfeer van delen en uitdelen, van God prijzen en laten merken dat er maar één ding echt belangrijk is: je verhouding met God, met Jezus - Jezus Christus, die de enige is die gisteren en heden dezelfde is en tot in eeuwigheid.


Wacht even. Wil ik nou zeggen dat het christenleven zo iets is als vakantie vieren? Maar zo frivool is het leven toch niet? Wat is dat voor zorgeloze praat? En m’n verantwoordelijkheiden dan, m’n taken, m’n ambten, m’n roeping voor God? Waar blijft de zorgvuldigheid in m’n christenleven? Heeft God zelf me dan geen thuis gegeven? Een eigen plek op aarde?

Vooral dat soort tegenwerpingen moeten we erg serieus nemen. Je moet ze proeven, goed proeven, alle onderdelen proeven. Want heel makkelijk zit er in dit soort gedachten een klomp valse leringen verstopt, ideeën over dingen en taken hier, waar ons hart zijn vastigheid in vindt; gedachten en idealen, hoe godsdienstig en vroom ook, die ons tenslotte toch vastbinden aan ons leven hier, en er voor zorgen dat wij helemaal die komende stad niet meer zoeken. We willen helemaal ons leven hier niet zo laten relativeren. We willen God kunnen dienen door goed ons werk te doen - en gelijk mooi hogerop te komen. We willen als christenen voor vol aangezien worden, iets neerzetten in ons leven dat blijft.

Kijk eens rond en vraag je af: waar zou ik nu heel moeilijk afscheid van kunnen nemen? En van wie? Waarom zou ik nu hier niet weg willen, verder trekken, dag zeggen? Dat zijn de dingen, de mensen misschien, waar we speciaal op moeten letten. Hebreeën spaart ons er niet in: het is goed dat het hart zijn vastheid vindt in genade, en niet in die dingen, hoe vroom en gelovig ze misschien ook verpakt zijn, met ambt en roeping en cultuurmandaat en goddelijke normen en zo.

Zo vertaal ik nu maar even wat Hebreeën hier aan de orde stelt. Tenslotte is dat iets wat op zichzelf vrij ver van ons vandaan staat, zo ver, dat ik me kan voorstellen dat bij de schriftlezing nogal wat mensen gedacht hebben: nou, wat dit allemaal moet betekenen, ik snap er niets van. Ik zal proberen er iets van uit te leggen.

De brief aan de Hebreeën is geschreven aan christen geworden Joden, preciezer, aan Joden die in de verstrooiing leefden ver van Jeruzalem. Hoe ver weg ook, de tempel in Jeruzalem bleef voor die Joden het centrum van hun geloof. De offers die in die tempel gebracht werden, die moesten ook voor hen verzoening brengen. Daar moest je bij horen, bij betrokken zijn. Die betrokkenheid werd in de Joodse wereld van destijds vorm gegeven door speciale maaltijden, gebaseerd op de lofoffer-maaltijden. Op een gegeven moment werd vrijwel iedere maaltijd zo ingericht dat die verbondenheid met de offers in de tempel, daar ver weg, vorm kreeg. In die manier van leven en van eten vond hun hart rust: zo waren ze toch verbonden met de tempel, met de verzoening, met God. Kennelijk waren er ook christen geworden Joden die dat voorschreven aan hun mede-christen geworden Joden.

Tegen die valse lering schrijft Hebreeën hier. De schrijver brengt verschillende dingen in. In de eerste plaats zegt hij: wij hebben een ander altaar. Zoals hij eerder had geschreven over Christus als de andere hogepriester: wij hebben een hogepriester, zo schrijft hij hier over het altaar: wij hebben een altaar. Bij dat christelijke altaar worden geen offermaaltijden gehouden, zoals bij het oude lofoffer. Integendeel, er mag helemaal niet van worden gegeten. Want op dat altaar is een zondoffer gebracht door Jezus Christus. En van een zondoffer werd niet gegeten, maar werd het karkas buiten de legerplaats verbrand. De schande en de schaamte van de zonde, de afbraak en de vernietiging van het kwaad, ze werden vernietigd buiten de stad. Daarom heeft Jezus dan ook buiten de poort geleden. Hij was dat zondoffer. Zijn bloed heeft ons geheiligd. De schande van de wetteloosheid heeft Hij van ons overgenomen. We moeten daarom niet ons richten op het altaar in Jeruzalem, maar juist ons richten op Hem en delen in zijn smaad.

Want, laten we ons wel realiseren, dat Jeruzalem daar, ver weg, dat blijft niet, en die offers en zo in de tempel, dat is allemaal verouderd en verjaard en niet ver van de verdwijning. Wij horen bij Jezus, de blijvende, en zijn op weg naar zijn komende stad. Het gaat niet om het Jeruzalem beneden. Dat blijft niet - en het is zo niet gebleven. Het gaat om het Jeruzalem dat van boven komt. En daarom gaat het voor christenen ook om een heel ander lofoffer. Niet een dat je bij maaltijden viert, betrokken op Jeruzalem daar ver weg, maar een dat je voortdurend viert door Gods naam te belijden, Hem te roemen en te prijzen. En daarom gaat het om de offers van goedheid en mededeelzaamheid. Hoe anders? We blijven hier niet. Dan kun je rustig weg geven. Zoals je je buitenlands geld rustig kunt weg geven als je toch weer terug gaat.

Goed, wat in ieder geval duidelijk is, is dat de schrijver aan de Hebreeën hier ook niet wil dat zijn lezers zich uit een bepaalde vroomheid en gelovigheid laten binden aan iets wat hier op aarde is. In het nieuwe testament zijn geen heilige plaatsen meer, waar je op de een of andere manier mee verbonden moet zijn, wil het goed met je aflopen. De enige vastheid vind je in genade, het enige blijvende houvast is in Jezus Christus, van de hele rest geldt, dat het maar voor even is, niet blijvend, dat het zich allemaal afspeelt op een parkeerplaats onderweg, dat de plaats waar jij leeft en werkt morgen voor een ander gereserveerd kan zijn, dat uiteindelijk ons thuis niet hier is, maar in die komende stad waarheen we onderweg zijn.

Juist daarom is het voor ons van belang dat we hier goed over nadenken: we hebben hier geen blijvende stad, maar zoeken de komende. Die ervaring van een niet-blijvende plek hebben, die kennen we van vakantie. De ontspanning die daarbij hoort, die kennen we uit dat hotel, dat huisje, die camping. Dat van te voren al ermee rekenen dat we al snel weer afscheid moeten nemen, dat kennen we van iedere reis. En dan hebben we er meestal niet eens zoveel moeite mee. Denk dan zo eens na over je christenleven. Bij dat christenleven hoort geen gaan zitten en be-zitten. Het is al snel tijd om afscheid te nemen. Het blijft niet. Dag zeggen, vaarwel zeggen, adieu zeggen, ja adieu kùnnen zeggen, tegen iedereen, tegen alles in je leven behalve Jezus Christus, dat is de genade die God geven wil.

Laten we daar eens over nadenken, deze tijd van bezinning, en van nieuwe aanloop. Als je je er gek bij voelt, dat geeft niks. Het hoort bij de schande van het kruis, dat alles wat mensen hier zo belangrijk vinden relativeert. Het is niet zo belangrijk wat je hier allemaal bereikt, ook niet uit vrome motieven. Het blijft toch niet. Morgen gaan we verder, op weg naar de komende stad. Straks gaan we naar huis, echt naar huis. Uit genade nog wel. Niemand komt daar binnen om wat hier is gepresteerd, maar alleen omdat Jezus Christus ook daar dezelfde is, gisteren en vandaag, en tot in eeuwigheid. Wie daar z’n leven op inricht zal ontdekken dat christenleven toch zoiets is als vakantie houden. Lekker. Je vastheid is genade. Je houvast is Jezus Christus. Een betere reisverzekering kun je niet hebben. Amen.


<<<