Heidelbergse Catechismus, zondag 8

Orde van dienst (Kampen middagdienst)
Psalm 89,8.11
lezen Romeinen 1:1-7
Psalm 132,9.10
zondag 8
Gezang 30,3
Gezang 19,4
Liedboek 264

Loenen-Abcoude 19/04/98
Haarlem 24/11/99

<<<


Broeders en zusters, geliefd in onze Heer, Jezus Christus,


Het mooie van het kerkelijk jaar is, dat het onze gedachten vanzelf in een bepaalde richting zet. Vanmiddag, de zondag na Pasen, zijn we als vanzelf nog bezig met een soort nabetrachting op de opstanding van onze Heer. Veel gemakkelijker dan over, zeg, drie maanden, gaan onze gedachten terug naar het gebeuren in die hof van Jozef van Arimatea, en haast vanzelf zijn we geneigd om wat we lezen in de bijbel en horen in de kerk te verbinden met Pasen. Dat vind ik vanmiddag, nu zondag 8 aan de beurt van behandeling is, wel een bijzonder voordeel. Het helpt ons om de tastende aanduidingen van deze zondag op een bijbelse en christelijke manier in te vullen.

Tastende aanduidingen vinden we in zondag 8 - en niet alleen in zondag 8. Wie straks thuis de artikelen 8 en 9 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis eens naleest, kan ook daar de schuchterheid proeven die telkens in de kerk optreedt als gesproken gaat worden over het diepe geheim van onze God, dat drie onderscheiden Personen samen de ene, ware en eeuwige God zijn. Soms lijken de gedachten in de catechismus en in de leer van de kerk in strakke pas te lopen: de ene conclusie volgt op de andere. Maar hier stokt de gang en merken we dat de leer van de kerk, na een lange worsteling met God zelf, niet anders kan dan mank aan de heup door het leven gaan. Haast vanzelf worden we herinnerd aan Jakob's worsteling bij de Jabbok: de kerk heeft God zelf ontmoet, drie maal ontmoet, heeft Hem vastgegrepen en vastgehouden, ja heeft zich vastgeklampt aan Hem, met iets van: Ik laat U niet gaan, tenzij U mij zegent. Onmiskenbaar zijn daarvan de sporen, ook in zondag 8.

Hier ontbreekt ieder eenvoudig 'daarom', elk simpel 'dus'. Hier tekent de kerk eerbiedig haar eigen brevet van onvermogen in de eenvoudige aanduiding: omdat God zich zo in zijn Woord geopenbaard heeft. Stilletjes staat het naast elkaar: deze drie onderscheiden Personen zijn de ene, ware en eeuwige God. Uitwerking ontbreekt. Er volgt geen vraag als: wat gelooft u, wanneer u zegt dat er drie Personen zijn en toch één God? Het blijft allemaal steken in dit eerbiedig naast elkaar van drie en één. Het diepe geheim dat Gods liefde zijn God-zijn zelf tekent en volstrekt bepaalt, het is te groot voor ons. We belijden God als de drie-enige, en daarbij valt ons begrijpen stil. In die stilte kan nog maar één ding ontspringen: de lofzang, het verwonderd prijzen van onze God, dat Hij zó is, zó vol leven en liefde, dat Hij niet alleen de Vader is, de oorsprong van alle dingen, maar ook de Zoon, de redder van alle dingen, de Geest, de volmaker van alles.


Nu, juist Pasen helpt ons deze diepe stilte, dit kortweg aanduiden van wat voor ons te groot is en te hoog, goed te verstaan. Het is werkelijk de stilte van na de Jakobs-worsteling, het is een stilte ná de storm, en persé niet, allerminst, helemaal niet de stilte van het denken en het begrijpen. Zo mogen we dus ook die woorden van zondag 8 niet verstaan. Als gezegd wordt, dat God zich zo in zijn Woord geopenbaard heeft, dan is dat niet een eenvoudige verwijzing naar de bijbel, waar daar en daar en zus en zo in die en die tekst met zoveel woorden staat: deze drie Personen zijn de ene, ware en eeuwige God. Het is niet zo, dat wie zijn bijbel leest, daarin vanzelf wel op de gedachte stuit dat God de drie-enige is. Het is ook geen eenvoudige conclusie uit dingen die in de bijbel wèl gezegd worden. Als het al een conclusie is, is het een conclusie niet zozeer uit dingen die gezegd worden, maar uit dingen die gebeurd zijn. En in die conclusie is heel de worsteling van de oude kerk opgenomen. Die worsteling is begonnen op Pasen.


We moeten de woorden van de catechismus hier weer eens heel precies nemen. Er staat niet: God heeft dat zo in zijn Woord geopenbaard, nee: God heeft zich zo in zijn Woord geopenbaard. Het gaat er maar niet om, dat God een en ander over zichzelf gezegd heeft, maar dat Hij op een bepaalde manier zichzelf heeft laten zien, laten kennen. Geen wetenswaardigheden over God zijn hier aan de orde, maar aan de orde is: wij hebben God driemaal ontmoet, en kijk: Hij is één. In díe ontmoeting heeft de opstanding van onze Heer een sleutelpositie. Oog in oog met de Opgestane leert Thomas het zeggen: Mijn Heer en mijn God! En een aantal jaren later zal Paulus het nazeggen: naar de geest der heiligheid door zijn opstanding uit de doden verklaard Gods Zoon te zijn in kracht!

Het is Jezus' opstanding uit de dood geweest, die zijn leerlingen en de kerk na hen onontwijkbaar gesteld heeft voor het diepe geheim dat we in Jezus met God zelf te maken hebben. Natuurlijk, dat was altijd al zo. Onder vraag en antwoord 25 vinden we de verwijzingen naar bijvoorbeeld Matteüs 3, naar het samenspel tussen Vader, Zoon en Geest bij de doop van Jezus door Johannes: Dit is mijn Zoon, de geliefde. En het is opnieuw gezegd op de berg van de verheerlijking. En Jezus zelf heeft er over gesproken, Hij is er zelfs om veroordeeld: Hij heeft zichzelf aan God gelijk gemaakt, zó luidde zijn vonnis. Maar tot op het moment van zijn opstanding hadden dat allemaal alleen maar woorden, alleen maar pretenties kunnen zijn. Het is ook nooit werkelijk tot zijn leerlingen doorgedrongen. Pas met Pasen begint dat: Mijn Heer, mijn God. God heeft zich zo in zijn Woord geopenbaard: door de opstanding uit de doden plechtig verklaard, officieel gebleken Gods Zoon te zijn in kracht.


Met Pasen begint dan ook de grote worsteling van de kerk om hier woorden voor te vinden, om dit diepe geheim van God bewust te aanvaarden. Een slordige driehonderd jaar heeft die worsteling geduurd tot er de eerste goede woorden waren, afgeschermd tegen misverstanden, maar in zichzelf tastend en zoekend. Verder dan aanduidingen zijn we nooit gekomen. Je proeft het nog in die lange beschrijving van de geloofsbelijdenis van Nicea: God uit God, licht uit licht ... Hier maakt zich al de lofzang los uit de stilte ná de storm. De kerk klemt zich vast aan deze éne God in een bewuste echo van 1 Korinte 8:6: er is één God, de Vader, uit wie alle dingen zijn en tot wie zij zijn, en één Heer, Jezus Christus, door wie alle dingen zijn en wij door Hem. Maar het begrijpen gaat mank aan de heup.


Dit is dan ook werkelijk te groot voor ons, mensen. God heeft maar niet iemand gestuurd om ons te redden. God heeft zich niet gedistantieerd van ons. Nee, Hij is zelf gekomen, in de Persoon van zijn Zoon. Hij zelf heeft ons bestaan willen delen om ons te redden. Tegenover iedereen die dat destijds niet kon geloven heeft de kerk het uitgesproken: wij hebben maar niet een soort tussen-wezen ontmoet in Jezus, onze Heer. Hij was geen eerste schepsel, in Hem ontmoeten we God zelf, in eigen Persoon. Er is niet toch nog een andere God, verborgen áchter Jezus, zodat we eigenlijk altijd bang zouden moeten zijn dat die verborgen, verzwegen God eens op zou duiken en zeggen: ja, maar bij mij geldt dat allemaal niet. Nee, wie Jezus heeft gezien heeft werkelijk de Vader gezien. Zo als Hij, zó is God en niet anders. In Hem hebben we met God zelf te maken, in de overvloed van zijn liefde voor zondaars.

Er is geen manier waarop God meer groter blijkt dan ons hart. Meer levend in zijn liefde. Alle menselijk tellen en begrijpen - dat begrijpen waardoor we denken grip te hebben op zaken - het breekt hier stuk op een immens te veel en te groot. Dat God één is blijkt veel rijker en omvattender dan in ons simpele telwoord één past. In de ontmoeting met de Opgestane Christus blijkt God samen één te zijn in een overvloed aan liefde en leven. Dat houden wij mensen niet meer bij elkaar. Als in de opstanding het echte goddelijke leven doorbreekt overspoelt het ons. De steigers van ons denken en begrijpen drijven als losse planken om ons heen in de vloed van goddelijke liefde en leven. Nog een keer God... Hij is het zelf... nog een keer anders, en toch dezelfde. Deze drie onderscheiden Personen, de ene, ware en eeuwige God.


Laten we het hier goed vasthouden: het gaat niet om teksten en om uitspraken. In Jehova's Getuigen en andere mensen die de kerk in haar stamelen over God de drie-enige niet na willen spreken, hebben we maar niet te maken met mensen die 'het' niet begrepen hebben. Het is veel erger. Ze hebben God niet ontmoet in de volheid van leven die Hij is. Ze hebben in Jezus niet God zelf gezien, en het is dan ook geen wonder, dat ze worden opgejaagd van deur naar deur met hun traktaatjes. Ze hebben in de Geest niet God zelf ontmoet, eindeloos dichtbij in ons hart, en het is dan ook geen wonder, dat er prestaties verwacht worden, talloze prestaties om bij God zelf in de gunst te komen.

Laten we het voor onszelf bedenken: dat de kerk hier mank gaat, duidelijk mank gaat aan de heup, dat hier ons spreken stamelen wordt, een stamelen van één en drie en drie en één, dat is geen teken van armoede. Het is niet iets om onzeker van te worden omdat we niet zouden weten hoe we dit moeten uitleggen. Het is juist een teken van rijkdom, van zó eindeloos grote rijkdom, dat we er geen grip meer op hebben. Het wonder van Pasen, dat diepe wonder van leven uit de dood, van liefde die sterker is dan de dood, het blijkt te spreken over God zelf, over hoe wonderlijk groot en diep zijn liefde is. God is levende liefde in zichzelf. De éne God is altijd samen. Het licht van paasmorgen wijst naar het licht dat God zelf is in zichzelf. De éne God is altijd samen. En als straks met Pinksteren de stormwind van de Geest losbreekt over de wereld ontmoeten we in Hem nog een keer dezelfde God van leven, licht en liefde. De éne God is altijd samen.


God heeft zichzelf zo in zijn Woord geopenbaard. Hij is geen God naar mensenmaat. Hij is de God die altijd meer blijkt, die zich in de loop van zijn geschiedenis kan uitvouwen als een bloem uit de knop. Hij is de God die in beweging blijkt, in beweging naar ons toe. Hij is méér dan de God die ons heeft gemaakt en alles om ons heen. Want wat hebben we daaraan, als zondige mensen, die niet goed meer zijn, als arme mensen in een kapotte wereld. Hij is ook de God die ons opzoekt, juist in die kapotte wereld en in ons kapotte leven. En nog eens blijkt Hij meer dan dat. Hij is méér dan de God die naast ons komt staan en zijn armen om ons heen slaat. Want we zouden ons nóg kunnen afkeren en zijn arm van ons afschudden: ik wil mijn eigen gang gaan. Hij is ook de God die ons opzoekt in het diepst van ons hart, die dáár zijn liefde ons laat proeven en met zijn kracht ons bezielt. Het wonder van het nieuwe, het goddelijke leven van Pasen wordt bij ons helemaal thuis gebracht door de levende God zelf.


Waarom is dat zo? Hoe zit dat? Kunnen wij daar grip op krijgen? Nee, nee, driemaal nee. God laat de rollen niet omkeren. Hij is geen God naar mensenmaat. We staan verwonderd, verbijsterd haast te kijken naar hoe Hij drie-enig grip op ons heeft: Schepper, Verlosser, Volmaker. Wat een leven! Wat een liefde! Wat een inventiviteit! Hier is werkelijk geen einde te vinden. Hij zelf, God zelf is zó de enige, de grote schat van de kerk. En alle tasten en zoeken naar woorden, alle stamelen en stotteren, het is een teken van het ene: de worsteling om je vast te klemmen aan déze God vol leven, liefde en beweging.


Dan gaan we in ons denken mank. En de wijzen van de wereld kunnen spotten met die christelijke kreupelgang. Maar in ons geloof, in onze hoop en in onze liefde staan we sterk. Want wat zouden we niet kunnen verwachten van déze God? Wat hebben we niet nog te hopen van Hem? Wat zouden wij niet kunnen doen, gedragen door Hem? Niet wij hebben grip op God. Maar wat zouden we daarnaar verlangen als we zien hoe Hij grip op ons heeft? We staan te kijken op Pasen: wat een wonder, wat een overvloed van leven en liefde voor ons! Mijn Heer en mijn God! En straks staan we opnieuw te kijken op Pinksteren: wat een wonder, wat een overvloed aan Geest en leven voor ons! Het is de Heer, die levend maakt!


Het drukke denken valt hier stil in de verwondering. Waarom noemt u drie Personen, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, terwijl er toch maar één God is? Ja, omdat God zichzelf zo in zijn Woord geopenbaard heeft. Zo geeft Hij zich aan ons, als een overvloed boven mensenmaat, als een rijkdom waarvoor een eeuwigheid niet genoeg is. Dit is de God met wie wij leven mogen! Een andere god bestaat er niet. Laten we dan ook leven met Hem, een leven uit de stilte van de verwondering, een leven dat gestempeld wordt door de lofzang die daar ontspringt, een leven van geloof, van hoop en van liefde. Dat past bij Hem, de éne God die in drie Personen samen de éne, ware en eeuwige God is. Amen.


<<<