Heidelbergse Catechismus, zondag 10

Orde van dienst (Middelburg middagdienst)
Psalm 146,1-3
Gezang 4
lezen Matteüs 6:25-34
Psalm 73,1.2.8.9.10
zondag 10
Gezang 22,1-3
Psalm 121

Loenen-Abcoude 31/12/93
Weesp-Nigtevecht 02/01/94

<<<


Broeders en zusters, geliefd in onze Heer, Jezus Christus,


Zo op en rond oudjaars- en nieuwjaarsdag kijken we altijd bewuster dan anders rond in onze eigen levensgeschiedenis: wat was er ook al weer gebeurd in het afgelopen jaar; wat zal er gaan gebeuren in het komende? De blijdschap èn het verdriet komen ons weer voor de geest, de goede moed èn de zorgen die we hebben voor de toekomst staan ons scherper dan anders voor de ogen. En zodra we dan vragen naar God en zijn betrokkenheid op ons leven, naar zijn hand, zijn zorg daarin, zijn we al bezig met waar het in zondag 10 om gaat. We zijn in deze dagen, om zo te zeggen, vanzelf al extra gevoelig voor de vragen èn voor de troost rond Gods zorg voor ons leven. Daarom is het goed om juist nu, op oudjaarsdag, zondag 10 met elkaar te kunnen overdenken.


En er is nog een reden waarom dat goed is. Het zijn immers ook de dagen van de jaaroverzichten. In woord en beeld zijn de opvallendste gebeurtenissen van 1993 ons weer onder de aandacht gebracht. Je moest vandaag al wel in bed blijven liggen, geen krant openslaan en zeker geen radio of tv aanzetten, wilde je niet oog in oog met 1993 komen te staan. En dat wij, juist nu ons dat allemaal weer voor ogen staat, aan de overdenking van zondag 10 toe zijn, komt goed uit. Het mag niet zo zijn dat wij ons op oudjaarsdag een uurtje in de kerk terugtrekken uit het leven, om Gods zorg voor ons eigen kleine leventje te overdenken, afgeschermd van de werkelijkheid om ons heen. Onze God is niet de God alleen maar van onze eigen knusse woonkamer, van onze eigen slaapkamer met ons warme bed; het evangelie dat ons hier samenbrengt is geen boodschap die in ons eigen leven uitgeput is, het is een boodschap voor de hele wereld, van de God van de hele wereld. Net als de belijdenis van God de Schepper zijn plaats heeft tegenover het grote, tegenstrijdige en chaotische leven, zo heeft ook de belijdenis van God de Onderhouder zijn plaats tegenover de echte, vaak rauwe werkelijkheid.


Dat wringt voor ons besef vaak met elkaar. Gods goede zorg en leiding lijken zich niet te verdragen met de ongelooflijke manier waarop het mensen op aarde uit de hand kan lopen. Hoevaak blijven we niet zitten met grote vragen richting God, in de trant van: waar was dat nu nodig voor, Here? wat wilt u met al die ellendige dingen in mijn leven, of in dat van anderen? wat is de zin van al die gruwelijkheden van het nieuws? Nu bijna zes weken geleden hebben we bij zondag 9 gezegd: Ons geloof in God de Vader draagt de littekens van de Zoon. Dat wil zeggen: alleen als wij Christus' lijden en sterven in het oog houden kunnen wij blij zijn met ons geloof in de Schepper, zonder moedeloos en gefrustreerd te raken. Als wij ons niet vastklemmen aan het kruis betekent de kennis van de schepping alleen maar: je was goed, je bent slecht, je was gaaf, je bent kapot. Kennis van God buiten Christus om is om wanhopig van te worden. Dat geldt nu ook voor Gods voorzienigheid. Ons geloof aan Gods intensieve betrokkenheid op de wereld en op ons eigen leven rust niet op wat we in die wereld of in dat leven zien, het rust op een woord van God over de wereld, over ons leven. En centraal in die boodschap staat, ook bij de voorzienigheid, onze Heiland. Ik weet wel dat daar niet alle vragen mee beantwoord zijn, ook niet de vragen die ik net noemde. Het gaat me er in deze preek ook niet om al uw vragen over Gods leiding en zijn zorg in ons leven te beantwoorden, want dat kan ik niet, maar waar het me wel om gaat is die vragen in een bepaald kader te zetten. Als we vragen hebben, laten het dan vragen zijn die we stellen aan God zoals Hij werkelijk is, laten het dan vragen zijn over zijn echte voorzienigheid en niet over een karikatuur of een spookbeeld daarvan. Alleen dan is er ook werkelijk kans dat onze vragen een antwoord krijgen.


Daarom begin ik nu met een omschrijving van Gods voorzienigheid, die we verder in de preek langs zullen lopen en uitwerken. De omschrijving is niet alleen ontleend aan de catechismus, maar ook aan het bijbelgedeelte dat we hebben gelezen. Zij vormt het thema van de preek: Gods voorzienigheid is zijn intensieve aanwezigheid in de wereld en ons eigen leven (catechismus: de almachtige en tegenwoordige, aanwezige, kracht), waarin Hij ons voorziet van alles wat wij nodig hebben (catechismus: onderhouding; zie ook zondag 9: Hij zal mij voorzien van alles wat ik voor lichaam en ziel nodig heb) om zijn doel met ons te bereiken (catechismus: regering; en Matteüs 6: zoekt eerst het Koninkrijk en de rest is toegift). Er zitten dus drie punten in: het gaat bij Gods voorzienigheid om:

1. zijn intensieve aanwezigheid in de wereld en ons leven,

2. waarin Hij ons voorziet van alles wat wij nodig hebben,

3. om zijn doel met ons te bereiken.


1. In de eerste plaats gaat het bij Gods voorzienigheid dus om zijn intensieve aanwezigheid in de wereld, de wereldgeschiedenis in het groot, èn in het klein in ons eigen leven. De catechismus spreekt heel mooi over Gods almachtige en tegenwoordige kracht, dat wil zeggen Gods aanwezige kracht. Wie aan voorzienigheid denkt moet beseffen dat het gaat om Gods zorgende en leidende aanwezigheid. Wanneer wij belijden te geloven in God de Vader, die hemel en aarde en al wat er in is geschapen heeft en ze nog door zijn eeuwige raad en voorzienigheid in stand houdt en regeert, dan belijden wij ons geloof in de God die nabij, die aanwezig is. 'Hij is niet ver van een ieder van ons', zegt Paulus in Handelingen 17. Hij is dan ook de God die Jahwe heet: Ik ben er en Ik zal er zijn. Voorzienigheid is: God zelf is handelend aanwezig op aarde, in ons midden, in ons leven. God zorgt voor ons en Hij leidt ons aller leven niet vanuit de verte, maar vanuit de dichtst mogelijke nabijheid.

Daarom moeten we Gods voorzienigheid ook niet verwarren met zijn raad, zijn plan, met wat Hij van te voren heeft uitgedacht over de wereld. Dat is heel veel gebeurd. Vanuit de dubbelzinnigheid van het woord 'voorzienigheid', waar je zowel 'iets voorzien' (dat gaat gebeuren) als 'iemand voorzien van' kunt lezen, hebben mensen eeuwenlang Gods voorzienigheid verbonden met de afwikkeling in de tijd van het plan wat God van te voren heeft gemaakt. Wat gebeurt gebeurt omdat God dat zo heeft 'gepland'; Hij heeft het voorzien en vastgesteld, daarom gebeurt het. Maar als we zo Gods raad en zijn voorzienigheid verwarren is het gevaar levensgroot dat we het niet meer over de raad van God van de bijbel hebben en evenmin of de voorzienigheid waar de bijbel over spreekt. Want God is niet opgesloten in de hemel, waar Hij als een soort operator de computerbanden laat lopen die de aardse processen sturen volgens de daarop vastgelegde informatie. Dat is veel te afstandelijk gedacht voor de voorzienigheid en veel te star voor Gods raad. Gods raad is Gods goede plan dat Hij heeft uitgedacht; daarin ligt vast wat Hij wil doen op aarde. Dat goede plan komt uit, niet omdat dat nu eenmaal zo moet, onafhankelijk van alles, nee, dat raadsbesluit van God zal volbracht worden omdat Hij al zijn welbehagen zal doen (Jesaja 46,10). Híj, God zelf, Hij doet wat Hij heeft bedacht. Dáárom gebeurt het ook, niet omdat Gods raad een soort noodlot is, wat automatisch en onontkoombaar op ons afkomt, maar omdat Hij zelf, de God van hemel en aarde op aarde handelt, almachtig en onoverwinnelijk. God zelf is in ons midden, handelend. Daar gaat het in de eerste plaats om bij zijn voorzienigheid.


Ik begin expres met dit punt, niet alleen omdat de catechismus dat ook doet, maar vooral omdat het enorm belangrijk is voor de manier waarop wij nadenken over Gods zorg en leiding in ons leven, voor de manier ook waarop wij die ervaren, en voor de manier waarop wij met onze vragen over wat er gebeurt omgaan. Want bij alles wat gebeurd is en gebeurt mogen wij nu beseffen: God is er bij. En Hij is ons niet op een onpersoonlijke manier nabij, als een lot dat ons zwijgend overkomt, onontkoombaar en hard. Hij is ons op een persoonlijke manier nabij, sprekend en luisterend. Daarom kan Gods voorzienigheid voor ons ook niet betekenen dat wij ons berustend en zwijgend neerleggen bij wat er gebeurt. Wanneer we over Gods leiding in ons leven eigenlijk toch denken als over een soort noodlot dat hard en koud gebeurt, wat wij ook doen, dan is de vraag levensgroot: waarom zouden wij dan bidden? Er gebeurt toch alleen wat God al lang heeft vastgesteld. Maar als we over Gods zorg en leiding denken als over zijn zorgende en leidende nabijheid, dan wordt ons bidden juist gestimuleerd. God zelf is in ons midden, Hij is bezig in alles wat gebeurt, Hij is er bij.

Voor ons betekent dat geen matte berusting, maar leren en luisteren naar God, en geen zwijgen, maar spreken tegen Hem. Als we blij zijn in ons leven, zeg het Hem in het gebed, want Hij is er bij. Als het leven pijn doet, zeg het Hem, spreek het uit, want Hij is er bij. De vragen die ik zopas stelde: waar was dat nu voor nodig, Here? wat wilt U met al die ellendige dingen in mijn leven, of in dat van anderen? wat is de zin van al die gruwelijkheden in het nieuws? het zijn vragen die we direct aan God zelf mogen stellen. En we mogen zoeken naar een antwoord in zijn Woord. Misschien wordt het u gegeven, misschien moet u er nog op wachten, maar eens zal het komen. Want God is er bij, luisterend en sprekend. Hij verzorgt en leidt de aarde niet met afstandsbediening vanuit zijn leunstoel in de hemel, maar Hij is er bij, Hij is er in betrokken met heel zijn Persoon. Dat zien we nergens duidelijker dan in het leven en sterven van onze Here Jezus Christus. Zozeer is God betrokken op de wereld en aanwezig in de wereld dat Hij zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, zijn mensgeworden aanwezigheid. Immanuel: Gods hart onder ons. We kijken met oud en nieuw terug en vooruit in ons mensenleven. Dit mogen we daarbij weten: God zelf was er bij het afgelopen jaar en Hij zal er zijn in het nieuwe. Juist daarom: breng uw dankbaarheid, uw vreugde, uw vragen, uw waaroms, uw zorgen en wat u maar bezighoudt in gebed voor Hem, want Hij is er bij. Dat is in de eerste plaats zijn voorzienigheid, want Jahwe is zijn naam: Ik ben er en Ik zal er zijn.


2. In de tweede plaats is Gods voorzienigheid zijn intensieve aanwezigheid waarin Hij ons voorziet van wat wij nodig hebben, en niet alleen ons, maar heel de schepping. Hemel en aarde met alle schepselen, en dus ook wij, worden als met zijn hand in stand gehouden. Zoals een fabriek niet kan draaien als de aanvoer van grondstoffen stil komt te liggen, zo kan de kosmos niet bestaan zonder de permanente verzorging van God de Schepper. De mogelijkheden van leven en werken, van groei en bloei, ze komen van God. Hij is de gever van alle goede dingen, de verzorger van alle positieve mogelijkheden. Dat is de eigen kleur van de voorzienigheid: God voorziet de schepping van het nodige. Hij voedt de vogels, die niet zaaien en maaien, Hij bekleed de veldbloemen, die niet arbeiden en spinnen, Hij laat zijn zon opgaan over bozen en goeden, en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Dat is Gods eigen werk, dat Hij als de aanwezige God doet.


Ik kom zo op de vragen die zich hier opstapelen voor ons, maar eerst wil ik dit heel duidelijk hebben: Gods eigen werk is het geven van het goede dat we nodig hebben. Jakobus leert het ons, dat iedere gave die goed, en elk geschenk dat volmaakt is, van boven neerdaalt, van de Vader der lichten (1,17). En Paulus wijst ons er op dat God zich juist als de levende God, die de hemel en de aarde, de zee en al wat er in is gemaakt heeft laat zien, door wel te doen, door van de hemel regen en vruchtbare tijden te geven en overvloed van spijs en vrolijkheid, en dat nog wel aan mensen die Hij op hun eigen wegen had laten gaan, heidenen, die in zonde leefden (Handelingen 14,15-17). Dat is het typische van onze God, dat Hij zijn zon laat opgaan over bozen èn goeden, dat Hij het goede geeft aan mensen die dat niet verdienen. Dat is het opvallende al meteen aan het begin in Genesis. Na de zondeval laat God de mensen niet vallen, nee, Hij blijft doorgaan met het geven van het goede en het nodige, al wordt de overvloed van het paradijs tot de karigheid van de vloek over de aardbodem. Toch. Er is hier iets heel onvanzelfsprekends aan de hand.

Dat moeten we eerst goed zien vóór we allerlei vragen gaan stellen over Gods verzorging in ons leven of in dat van anderen. Want wij zijn snel ontevreden met wat we hebben of met wat ons overkomt, omdat we er stiekem toch van uitgaan dat we als Gods kinderen recht hebben op een goed en bruin leven op aarde. Dan moeten we eerst weer terugdenken aan hoe het allemaal is begonnen, laten we zeggen aan de zondagen 2 tot en met 4. Als we dat gedaan hebben, dan zien we hoe onvanzelfsprekend het is dàt God inderdaad zeer vele mensen weldoet, door hen regen, vruchtbaarheid, overvloed en vrolijkheid te geven. Vanzelfsprekend zou zijn dat God hen die zich van Hem afkeren straft en vloekt en een miserabel leven geeft. Toch is dat niet waar volgens Paulus de levende God typisch in naar voren komt. De Schepper van hemel en aarde laat zich kennen door wel te doen.

En, laten we dat hier niet vergeten: Hij is geen zwijgende weldoener, die optreedt als een soort rijke oom in het buitenland waarvan je plotseling tienduizend gulden op je bankrekening erft. God is er bij, Hij is aanwezig, als de luisterende en, vooral ook, sprekende God. Hij geeft de schepping mogelijkheden van groei, Hij houdt haar in stand, Hij geeft mogelijkheden van leven en werken niet alleen aan rechtvaardigen, maar ook aan onrechtvaardigen. Maar Hij doet dat niet zwijgend, als een soort stille kracht. Ook de moordenaar heeft zijn spierkracht, zijn inventiviteit, zijn reactievermogen van God. Maar de sprekende God heeft geboden: U zult niet doodslaan. God is het die de volken hun macht geeft, maar Hij heeft gerechtigheid geboden en onrecht en onderdrukking verboden. Waarom worden er dan toch mensen vermoord, en waarom lijden zovelen onrecht? Als u die vraag aan míj stelt, zou ik misschien iets kunnen antwoorden als: God wil dat niet, Hij laat dat toe, maar waarom weet ik ook niet. Maar als we die vraag aan God zelf stellen, de God die er bij is, dan krijgen we vóór ieder antwoord een vraag terug: Waarom keren jullie je toch altijd van Mij af, waarom doen jullie niet wat Ik zeg? Geef daar eerst eens antwoord op!

Die vraag van God, die de repeterende breuk van het oude testament vormt, de waarom-vraag van God, stelt onze waarom-vragen in een ander licht. Waarom is het op aarde zo'n verwarrende chaos, waarom is de lijn in ons eigen leven zomaar zoek, waarom worden de mensen ziek, waarom gaan ze dood, terwijl God toch alles goed, ja zeer goed heeft gemaakt, en nog steeds maar door goede dingen geeft, waarom? Is God daar op de één of andere manier verantwoordelijk voor? Dan horen we allereerst een vraag terugkomen: Waarom keren jullie je toch altijd van Mij af, waarom? Hoe onvanzelfsprekend het is dat God het goede blijft geven, dat zien we tenslotte pas bij deze vraag. En toch doet God het. Dat is zijn eigen werk. Het tweede van zijn voorzienigheid: Hij blijft ons werkelijk voorzien van alles wat wij nodig hebben, niet om ons recht - hoe onvanzelfsprekend! - maar om zijn eigen liefde en trouw, want Jahwe is zijn naam: Ik ben er, en Ik zàl er zijn.


3. Daarmee komen we bij het laatste: de aanwezige God voorziet ons van het nodige om zijn doel met ons te bereiken. Want er is nog een waarom-vraag te stellen, één die de Catechismus laat liggen, maar die de moeite waard is om te stellen: Waarom doet God dat eigenlijk allemaal, waarom bemoeit Hij zich zo intensief met de wereld en waarom blijft Hij maar verzorging geven? Dat de Catechismus deze vraag niet stelt geeft aanleiding tot misverstand. We lezen namelijk in deze zondag alleen maar dat wij ons geen zorgen hoeven te maken omdat niets ons meer werkelijk bedreigen kan. Immers, alle schepselen zijn in Vaders hand. Niets zal ons van Hem en zijn liefde kunnen scheiden. Punt. Die punt is het waar het me nu om gaat. Het is allemaal ongetwijfeld waar wat in zondag 10 staat, maar er moet nog iets meer gezegd worden en dat 'meer' is heel belangrijk. Het zet ook zondag 10 en de vragen rond zondag 10 in een ander licht.


Wat ik bedoel ontdekken we als we vanuit zondag 10 gaan lezen in Matteüs 6. Is daar de boodschap ook: maak u geen zorgen, want niets kan u werkelijk bedreigen? Ten dele wel. Maakt u dan niet bezorgd over morgen, want morgen zal wel voor zichzelf zorgen. De Vader weet wel wat u nodig hebt. Maar ver daar bovenuit gaat een andere boodschap van Christus: Zoekt eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid. Wij moeten ons juist wel zorgen maken, alleen niet over eten drinken en kleding. Wie zich de goede zorgen maakt krijgt heel zondag 10 er als toegift bij. En, om het nog eens wat scherper te zeggen: pas als je je de goede zorgen maakt, die om het recht van Gods koninkrijk, dán pas krijg je zondag 10 er bij, dan pas wordt zondag 10 werkelijk van kracht. Dan pas krijgen we ook zicht op wat we werkelijk nodig hebben, en wat God ons in zijn voorzienige zorg geven zal. Want wat we werkelijk nodig hebben dat zijn niet de dingen waar de heidenen zich druk om maken en die in zondag 10 besproken worden. In Gods Koninkrijk is dat een toegift. Christus leert ons hier ons andere zorgen te maken. Het zijn zorgen over de vrede, de barmhartigheid, de vergevingsgezindheid, de mededeelzaamheid, de liefde tot de vijanden, om maar een paar trefwoorden te noemen uit de bergrede. Dat zijn immers de dingen die ook wij moeten doen om het koninkrijk van God te kunnen beërven. Of, om het met Paulus te zeggen: Het koninkrijk van God bestaat niet in eten en drinken, maar in rechtvaardigheid, vrede en blijdschap, door de Heilige Geest (Rm14,17).

Als wij ons deze zorgen maken, dan maken wij ons dezelfde zorgen als God zelf, dan richten wij ons op hetzelfde doel als Hij heeft bij zijn voorzienigheid. Want Hij heeft deze wereld in stand gehouden omdat Hij er zijn koninkrijk wilde doen komen. En Hij heeft zijn Zoon gezonden, de Koning van dit Rijk, om het op aarde te vestigen door lijden en sterven heen. En Hij laat nu de wereld draaien om er de predikers van zijn evangelie op te laten rondgaan en niet alleen de predikers, maar ook de doeners van het evangelie, de mensen die zich zorgen maken om recht, om vrede, barmhartigheid, vergevingsgezindheid, noem maar op. Als God ons nog een heel jaar 1994 wil geven, zal het Hem ook in dat jaar om deze dingen gaan. Laat het ons er dan ook om gaan. Laten wij ons werkelijk zorgen maken om het Koninkrijk van God, om onze dienst aan Hem en aan elkaar en onze medemensen. Dan komen eten en drinken, rijkdom en armoede, gezondheid en ziekte, èn onze vragen daarbij, in een ander, in het juiste licht te staan. Heel zondag 10, het is toegift bij Gods Koninkrijk, dat komt. Amen.


<<<