Heidelbergse Catechismus, zondag 16

Orde van dienst (Middelburg middagdienst)
Psalm 91,1
Gezang 13,1.4
lezen HebreeŽn 9:11-28
Psalm 56
zondag 16
Gezang 17,4.5
Gezang 14,1.4

Loenen-Abcoude 06/03/94
Weesp-Nigtevecht 06/03/94
de houdbaarheidsdatum van deze preek is verstreken

<<<


Broeders en zusters, geliefd in onze Heer, Jezus Christus,


Vorige week zondag zijn we begonnen met met elkaar na te denken over de meest centrale weldaad die de Here Jezus voor ons gesteld heeft, namelijk zijn sterven voor ons aan het kruis. Als het goed is hebben we daar de afgelopen week nog over door-gedacht en er ook vanmorgen, bij de viering van het avondmaal, bewust aan teruggedacht. Het is tenslotte de gedachtenis aan de dood van onze Heer, die we vieren in deze maaltijd. Metterdaad verkondigden wij allen die hier aan tafel waren de dood van onze Heer, als de enige grond van ons heil. Wanneer wij, zoals de opwekking in het formulier zegt, onze harten omhoog heffen tot Christus, die in de hemel aan de rechterhand van zijn Vader voor ons pleit, dan mogen en moeten wij ons herinneren dat Hij daar staat als het Lam dat geslacht is, als de Gekruisigde voor ons. Dat is de complete reden waarom God ons een plaats aan zijn tafel waardig keurt, dat Hij zijn leven voor ons gegeven heeft in de dood, als het volmaakte offer in onze plaats. Met alles wat wij zijn en wat we gedaan hebben, mogen we in vrede naar God gaan, vanwege zijn lijden en dood.

Daarin vernederen wij onszelf voor God. Dat hoort bij de boodschap van het kruis, zoals we vorige week gezien hebben. Voor wie zich groot wil houden voor God moet die boodschap een aanstoot zijn. Van ons kunnen en ons presteren, van ieder gevoel van eigenwaarde dat we zouden willen ontlenen aan ons zelf, aan wat we zelf voor God en voor elkaar doen, blijft tegenover deze gekruisigde Christus niets heel. Heel ons leven hebben we buiten onszelf gevonden, in Christus. Dat hebben we metterdaad uitgesproken, met dat we hier zaten, en aten van het brood en dronken uit de beker. Daarin hebben wij onszelf ook laten verrassen door de kracht en de wijsheid van God, die uitkomen juist in deze boodschap van het kruis. Waar de aardse wijsheid altijd werkt met een 'voor wat hoort wat' en wie hoog te paard zit neerkijkt op de nederige voetgangers naast hem, daar wordt voor onze ogen heel deze menselijke orde omgekeerd door de goddelijke orde van het kruis. Zo gaat het toe in het koninkrijk van God, dat de grootste in de werkelijkheid kwam om te dienen en de eerste onder alle schepselen kwam om de slavendood te sterven. Daaraan hebben wij ons leven te danken, dat Hij ons niet heeft laten zitten in onze ellende, maar is gekomen. Dat mogen we ons dus ook laten gezeggen als burgers van hetzelfde koninkrijk: wie groot wil worden ons onder, zal dienaar zijn, en wie onder ons de eerste wil zijn, zal aller slaaf zijn. Die kunnen we alvast in onze zak steken.

Juist zo, als de zwakte van de liefde die sterker is dan alle haat, en de dwaasheid van de overgave die wijzer is dan alle zelfhandhaving, zo zien we de boodschap van onze gekruisigde Heiland als de kracht en de wijsheid van God. Laten we er vanmiddag zo verder over nadenken. Nog een keer, want de diepte van dit evangelie hebben we niet zomaar uitgeput. Het is maar goed dat we daar een eeuwigheid over mogen doen. Die zullen we nodig hebben ook. Maar we mogen er nu al mee beginnen. Laten we vanmiddag stilstaan bij zondag 16 onder het thema: Dat Hij tot de kruisdood toe heeft geleden onder Pontius Pilatus, is de diepste weldaad van onze Heiland voor ons. We zullen zien dat die weldaad is:

1. een daad van liefde (want Hij is Heer)

2. een daad van gehoorzaamheid (want Hij is Christus)

3. een daad van verlossing (want Hij is Jezus).


1. Er zit iets huiveringwekkends in antwoord 40. Dat ligt niet aan de catechismus. Die doet hier niet anders dan onder woorden brengen waar het in het christelijk geloof om gaat. Er zit ook iets huiveringwekkends in het christelijk geloof, in het evangelie. Net als op het eerste pascha in Egypte de doodsengel de Israëlieten voorbijging, zo boodschapt ons het evangelie dat ons de dood voorbijgaat. Maar we voelen zijn kille adem in de boodschap van Christus' dood voor ons. Het 'moeten' van de vraag en het 'niet anders kunnen' van het antwoord beschrijven een verschrikkelijke noodzaak, die van de dood van Gods Zoon. Wij zijn vaak niet meer zo gevoelig voor dat huiveringwekkende van het evangelie. Dan is het goed om je door anderen daar weer bij te laten bepalen. Het zijn soms juist mensen die van het christelijk geloof niets moeten hebben die ons daar weer aan helpen herinneren. Misschien hebt u wel eens met iemand gesproken, die zei dat hij of zij die zogenaamd rechtvaardige God van de bijbel maar een afschuwelijke, wrede God vond, een God die bloed wil zien, in plaats van dat Hij het kwaad 'gewoon' vergeeft. Zo'n harde God, die willen ze niet. Is hier het hoogste recht, niet tegelijk het diepste onrecht? Een onschuldige laten doodmaken voor schuldigen... Mensen die dat zeggen, die hebben heel scherp gevoeld dat er een harde, een vlijmscherpe kern in het evangelie zit.

Alleen, ze hebben niet goed gezien waar die zit. In de woorden van de catechismus gezegd: in het antwoord op de vraag waarom Christus zich tot in de dood moest vernederen leggen zij de klemtoon op: Gods gerechtigheid en waarheid, en ze zeggen dan: dat is een verschrikkelijke gerechtigheid en waarheid, één die wij niet willen, één van oog om oog, tand om tand. Toch is dat niet waar. Ik zal er zo nog op terugkomen. Het is waar dat er iets verschrikkelijks zit in dit vraag en antwoord, maar dat zit niet hier. Dat zit hem een paar woorden verder. Dat zit hem in dat 'voor onze zonden'. In ons kwaad en in de dood die we daarmee over ons hebben gehaald, daarin ligt de bron voor die huiveringwekkende noodzaak van antwoord 40. Want zonde en kwaad, dat is blijkbaar zo erg, en de ellende van de dood en het sterven is blijkbaar zo diep, dat zelfs God de wereld niet anders kan helpen dan door mens te worden, zonde en schuld over te nemen en deel te nemen aan het lijden. De diepte van het kwaad brengt zelfs voor God de afschuwelijke noodzaak met zich mee van de dood van zijn Zoon.


Maar dat is persé niet de noodzaak van een gerechtigheid van oog om oog en tand om tand. Want dat zou dan ons oog en onze tand moeten zijn, en dat is nu juist niet zo. Gods gerechtigheid is veel meer dan vergelding. En dat 'veel meer' heeft Christus ons zelf uitgelegd. Dan gaat het om: wie u een slag geeft op de rechterwang, keer hem ook de andere toe; en wil iemand met u rechten en uw hemd nemen, laat hem ook uw mantel. Dat is toch precies wat we zien gebeuren hier: wij hebben God op de rechterwang geslagen met onze zonden, en Hij keert ons de linker toe in zijn Zoon, het kwaad heeft God zijn mensenkinderen afgenomen, en Hij geeft ook zijn enige Zoon over in de dood. We hebben hier te maken met de heel andere noodzaak van 'de barmhartigheid waartoe Gods hart gedreven wordt', zoals Zacharias zingt, en die barmhartigheid, dat medelijden, neemt het kwaad serieus in de afschuwelijke diepte van zonde en ellende die daar eigen aan is. Zelfs God kan onmogelijk doen alsof er niets gebeurd is met onze zonde. Gods gerechtigheid en waarheid, dat is: Gods eerlijkheid. Gods eerlijkheid maakt het Hem volstrekt onmogelijk aan de zonde en de dood voorbij te gaan en te doen alsof er niets aan de hand is.

Maar Hij komt vervolgens tot ons niet met het recht van zelfhandhaving en vergelding, maar met het recht van overgave en genade. Het gaat niet over ons oog, maar over zijn oogappel, zijn Zoon. Daarin zien we in een huiveringwekkende spiegel de diepte van het kwaad. Dat is zo erg, dat het God zijn Zoon moest kosten om het weer goed te maken. De dood van Gods Zoon, zegt de catechismus. En tegen de achtergrond van hoe wij in de gereformeerde traditie daarover gewend zijn te spreken is dat een opvallende formulering. Want God en de dood, die horen niet bij elkaar, die verdragen elkaar niet. Daarom kun je in de meeste gereformeerde dogmatieken lezen dat Christus 'naar zijn mensheid' is gestorven, terwijl zijn godheid dan de kracht leverde om heel dat lijden te volbrengen, maar er eigenlijk niet zelf in betrokken was. Toch spreekt Christus zo zelf niet. In Openbaring 1 ontmoet Johannes de verheerlijkte Christus, en die zegt hem: Ik ben de eerste en de laatste en de levende, en Ik ben dood geweest, en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheden, en Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk. We kunnen dat niet uit elkaar leggen in een 'naar zijn mensheid' en een 'naar zijn godheid'. Hij, God uit God, Licht uit Licht, één van wezen met de Vader, Hij is mens geworden en Hij is dood geweest.


Als we ergens de schrikwekkende diepte van de zonde en de dood leren kennen dan hier. Bij 'onze zonden' hoort noodzakelijk 'de dood van Gods Zoon'. De verwoesting die de zonde heeft aangericht gaat zo diep en is zo totaal dat God zelf zich er in eigen Persoon mee moet bemoeien wil er ooit nog iets goed kunnen komen. We moeten niet denken dat zonde, kwaad en dood, voor God een peuleschilletje zijn, dat Hij 'even' opruimt. Onze zonden doen God zeer, en het vergeven en herstellen van onze zonden ook. Wie bij het huiveringwekkende van het 'moeten' sterven van Christus denkt aan de hardheid van Gods recht, die is vergeten hoe hard ons kwaad is, hoe hard wij zelf ook vaak zijn. Maar tegenover die hardheid van de zonde komt de zachtheid van Gods gerechtigheid uit. Hij vergeldt ons niet naar onze zonden, en doet ons niet naar onze ongerechtigheden, maar geeft zijn eigen Zoon, zijn enige, om ze van ons af te nemen en weg te dragen, weg van ons, verder dan oost van west is en dan de hemel boven de aarde is. En op de vraag waarom? krijgen we maar één antwoord: omdat Hij van ons houdt.


2. En in die liefde voor ons is God het helemaal met zichzelf eens. Daarom kan er een goede boodschap rondgaan over de wereld, omdat de enige Zoon van God gekomen is, als de van harte gehoorzame Zoon van de Vader, en ons heeft opgezocht in onze zonden en in ons sterven. Omdat God ons wilde redden, is Hij gehoorzaam geworden tot de dood, ja tot de dood aan het kruis, zegt Filippenzen 2. Christus was het met zijn Vader eens in de liefde tot ons, Hij houdt evenveel van ons als zijn Vader, en daarom doet Hij wat zijn Vader wil: Hij legt zijn leven af in de dood, voor ons, en neemt het later weer op in zijn opstanding, voor ons. Daarin zijn Vader in Zoon één. Hierom heeft de Vader mij lief, zegt Christus, omdat Ik mijn leven afleg om het weer te nemen. Dat was precies het gebod dat Hij van zijn Vader had ontvangen (Johannes 10,17.18). In de Christus, de Zoon van de levende God, is God zelf ons gevolgd in onze zondeval, Hij heeft ons opgezocht in de diepte van ons bestaan, in de ellende, in de werkelijkheid.

Want dat is de werkelijkheid voor mensen sinds Genesis 3, dat zij zondaars zijn die sterven. Dat is de werkelijkheid voor de wereld sinds Genesis 3 dat zij onder de vloek van de vruchteloosheid ligt, dat de dood heerst en alles afbreekt. Christus volgt ons in die werkelijkheid om haar van ons over te nemen, als de gehoorzame Zoon van de Vader. We moeten hier spreken over de werkelijkheid van zonde en dood. De huiveringwekkende diepte van de zonde komt uit in de dood. En de dood is niet iets dat on-werkelijk is, iets dat nog komt, maar een overheersende werkelijkheid nu. Paulus zegt in Romeinen 5 dat de dood als koning heerst over alle zondaars. En dat betekent niet dat zij eens in de toekomst sterven zullen, maar dat zij in het heden aan het sterven zijn prijsgegeven. Wat wij meestal de dood noemen is slechts de afronding van wat ons leven lang al aan de gang is.


Zonde en dood, zondigen en sterven horen onlosmakelijk bij elkaar, in het heden. We moeten ze niet teveel van elkaar losmaken. Dat doen we gauw wel, omdat we gewend zijn de dood te zien als straf op de zonde. Maar dat is in het algemeen gesproken niet waar. In de bijbel vinden we zo nu en dan de dood als straf op de zonde, in een bepaalde betekenis. In de oudtestamentische wetten had God op bepaalde overtredingen de doodstraf gezet. Die zonden waren zo erg dat de zondaar zichzelf daarmee buiten het leven geplaatst met God had. Daarom werd hem het leven dan ook plechtig afgenomen. Helemaal aan het einde van de geschiedenis vinden we opnieuw de dood als straf, maar dan gaat het over de tweede dood, het geworpen worden in de buitenste duisternis, of in de vuurpoel die voor de duivel en zijn engelen bereid is. Maar in ander verband is de dood geen straf, maar op z'n meest gevolg van de zonde, een gevolg dat zo nauw aan de zonde vastzit, dat je zou kunnen zeggen: zondigen is sterven. Als je zondigt ga je dood. Dat is precies wat God heeft gezegd tegen de mens in het paradijs. Toen alles nog goed was zei God tegen Adam: wanneer je van die boom van kennis van goed en kwaad eet, zul je zeker sterven. Er staat niet (en het betekent ook niet): dan zal Ik je met de dood straffen, maar: dan ga je dood. En dat is ook precies gebeurd. Toen de zonde begon te leven begon Adam te sterven, om een uitspraak van Paulus te variëren (Rm7,9). Dat is ook heel begrijpelijk: wie zich afkeert van de God die leven geeft, vindt daarmee, de facto, de dood.

En met de zonde is ook het sterven tot alle mensen doorgegaan. Omdat wij allemaal zondigen sterven wij ook, en dat niet maar eens, maar nu al. We zien de dood rondgaan in het mensenleven, niet alleen in sterfhuizen, maar ook in ziekenhuizen, en verzorgingshuizen, we zien de dood rondwaren, niet alleen in ons lichaam, maar ook in onze relaties, als we staan bij de brokken van ons leven. Bij ons overlijden breken al onze relaties af, maar voordien al werkt dezelfde dood, en gaat er zoveel onherstelbaar kapot tussen mensen. Dat is niet allemaal zonde en schuld, dat is ook vloek en dood. Je bekeren van de zonde is dan ook vaak niet genoeg. Helemaal goed wordt het niet meer. Hoevaak is het niet zo dat als de ruzie is bijgelegd mensen toch nog niet goed met elkaar kunnen omgaan. En ook in het groot zien we het sterven in de werkelijkheid. Sinds de schepping zijn er vrijwel alleen maar dier- en plantesoorten uitgestorven. Ze keren niet meer terug. Wat kapot is is maar al te vaak onherstelbaar kapot. Onze ellende bestaat niet alleen uit zonden, maar ook uit dood. Samen vormen zij de benauwende werkelijkheid waarin de mensheid leeft.


In die dubbele ellende heeft Christus ons op willen zoeken en zijn verlossingswerk willen doen. Daarom lijdt Hij niet alleen voor ons, maar sterft Hij ook in onze plaats. Hij verzoent niet alleen onze zonden, maar draagt ook de dood die wij daarmee over ons gehaald hadden voor ons. De diepte van de zonde komt uit in de dood. Weglopen van de enige gever van leven betekent immers onontkoombaar sterven. Dat ontwricht de hele werkelijkheid. In die hele kapotte realiteit komt Christus nu binnen en neemt die complete diepe huiveringwekkende eenheid van zonde en dood van ons over. Dat is zo ontzagwekkend, dat kan alleen de Zoon van God. Zo erg zijn we er aan toe, dat er alleen redding kan zijn als God zich in eigen Persoon ermee bemoeit. Alleen de Zoon van God zelf, aan wie de Vader het gegeven heeft om leven te hebben in zichzelf, kan deze taak aan. Hij kan het en heeft het gedaan: zijn leven afgelegd in de dood, om het weer te nemen in de opstanding. Maar nogmaals: laten we niet denken dat het een peuleschilletje was voor de Zoon van God. Niet voor niets spreekt de bijbel over de werkelijke angst van Getsemane, en staat ook antwoord 44 in de catechismus. Het ging ook om een werkelijke strijd, of zoals Luther dichtte in een van zijn paasliederen, om een wonderlijke strijd, die dood en leven streden. Het leven overwon er in en heeft de dood verslonden. De Schrift verkondigt ons dus dat, hoe de ene dood de andere opat.


3. En dat betekent voor ons die geloven een daad van verlossing, niet alleen van zonden, maar ook van het sterven. Waar de diepte van de zonde uitkomt in het afbreken van ons leven en onze verhouding tot God en tot elkaar, daar komt de diepte van de verlossing uit in het herstellen van leven en van onze levensverbanden. Het staat haarscherp tegenover elkaar aan het slot van Romeinen 6 dat we gelezen hebben: het loon dat de zonde geeft is de dood, maar de genade die God schenkt is het eeuwige leven in Christus Jezus onze Heer. Dat is iets wat we nu al in ons leven kunnen zien. De zonde maakt je leven kapot, op wat voor manier dan ook. Egoïsme maakt je eenzaam, verslaving put je uit, de hele avond dom tv kijken maakt je duf en slap, wie een leugenwereld opbouwt rent zich rot om alle gaten die de waarheid er in slaat weer te dichten, wie zijn leven vast in eigen hand wil houden ziet het er vroeg of laat uit geslagen worden. Wie zichzelf wil handhaven, wordt gebroken.

Maar genade geneest en leert ook genezen. Dat Christus ons heeft liefgehad mag ons een goed gevoel van eigenwaarde geven. Geliefd worden geeft je leven zin en een doel, moed om je in te zetten, om ook anderen lief te hebben, ook al zijn ze nog zo vreemd. Waar liefde woont, gebied de Heer zijn zegen, dat wil zeggen: waar de liefde verschijnt daar bloeit het leven op. De overgave van Christus leert ons onze zelfhandhaving af, en onszelf geven voor anderen. Dan kan er toch weer een nieuw begin gemaakt worden, na diepe ruzie, dan kan er na jaren weer gepraat worden, weer een relatie worden opgebouwd, waar de verhoudingen gebroken waren. Dat kan al in het heden.


Maar ook ons overlijden, ons sterven zoals we daar normaal over spreken, krijgt hier een nieuwe kleur. Waar in dit leven, waar wij nog zondaars blijven, altijd een tekort blijft hangen, wij niet helemaal kunnen bereiken wat we zouden willen, ook al is het nog zo goed, waar telkens weer slechte begeerten opduiken die kapot maken wat we juist hadden opgebouwd, daar verlost ons om Christus' dood onze dood van dit tekort. Doorgang tot het eeuwige leven zegt de catechismus dan. Dat doet weer denken aan het slot van Romeinen 6. Wat een verschil maakt Christus overwinning van zonde en dood hier! Zonder zijn dood voor ons is ons overlijden het loon dat de zonde geeft, en wacht ons na de dood alleen maar de straf van de tweede dood. Maar met zijn dood voor ons is ons overlijden een onderdeeltje van de genade die God schenkt: het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Heer. Nog een keer blijkt het en zal het blijken: waar de diepte van de zonde de dood is, daar is de diepte van de verlossing in Christus' dood het leven tot in eeuwigheid. Het gaat hier werkelijk om de kracht van God en de wijsheid van God, onoverwinnelijk sterk en onuitputtelijk diep. Amen.


<<<