Heidelbergse Catechismus, zondag 23

Orde van dienst (Middelburg middagdienst)
Psalm 75,1
Psalm 81,4,7,8
lezen Romeinen 3:19-28
NGB art 21 en 22
Psalm 116,1-3.8-10
Zondag 23
Gezang 36,3
Psalm 89,1

Orde van dienst (Kampen middagdienst)
Psalm 75,1
lezen Romeinen 3:19-30
Psalm 116,1-3
lezen NGB 22 en 23
Psalm 116,8-10
Zondag 23
Gezang 36,3
Gezang 35,3
Psalm 89,1

Voorburg 23/12/90
Loenen-Abcoude 15/05/94
Weesp-Nigtevecht 15/05/94
Gouda 16/02/97
Amersfoort-N 28/12/97
de houdbaarheidsdatum van deze preek is verstreken

<<<


Broeders en zusters, geliefd in onze Heer, Jezus Christus,


Zondag 23 is waarschijnlijk de meest centrale zondag uit de Heidelbergse Catechismus. Over de hele behandeling van de Twaalf Artikelen heen wordt teruggegrepen op zondag 7: Wat hebt u er nu aan dat u dit alles gelooft? Dat dit alles slaat terug op het alles wat ons in het evangelie beloofd wordt van zondag 7. Dat moet een christen geloven, en daarvan geven de Twaalf Artikelen een samenvatting. En zo omvat dat dit alles ook de vorige vijftien zondagen over het Apostolicum. Trouwens, waar de woorden waar geloof vallen, is meteen al duidelijk dat wordt teruggegrepen op zondag 7, want daar wordt uitgelegd wat dat 'waar geloof' nu is. Hier in zondag 23 worden die lijnen van de vorige zondagen samengenomen en wordt de basis gelegd voor de volgende zondagen. Het gaat hier dan ook om het grote punt uit de Reformatie, de rechtvaardiging door het geloof.

Alles bij elkaar maakt het zondag 23 praktisch best een lastig te hanteren zondag. Waar moeten we beginnen, waar eindigen? Bovendien: de zaak waar het om gaat is zo groot dat je er gewoon verlegen mee bent. Je voelt je als het ware met een briefje van duizend in de snackbar staan om een 'patatje met' te bestellen. Laten we, om deze zondag wat reliëf te geven eerst eens wat contrast aanbrengen.


Zo'n vraag, zo'n vraag als die eerste: wat hebt u er nu aan dat u dit alles gelooft, en wat koop je ervoor, wat levert het je op - wat voor antwoord verwacht u daarop? Het kan je zomaar overkomen dat je iemand ontmoet die antwoordt: niks, hoogstens moeilijkheden levert het me op. Ik heb het gevoel dat ik er niks mee opschiet. Het voegt helemaal niets toe, helemaal niets. Ik doe er helemaal niets mee. - En dat je een christen bent, helpt dat je nou verder in je leven? Welnee, je wordt er niet populairder op bij je collega's, en je baan wordt er niet beter van, zeker niet als je niet op zondag wilt werken. Nee hoor, al die dingen geloven, je wordt er hoogstens vreemd van, zo'n verdwaalde vreemdeling, die altijd gelijk moet hebben. En dat is wel even iets anders dan wij in de catechismus belijden. Wat levert het u op dat u dit alles gelooft? Dat het in Christus weer goed is tussen God en mij, en dat het goed zal blijven tot in eeuwigheid.

Dat verschil is ontdekkend. Als we die twee antwoorden eens tegen elkaar zetten, dan valt op dat zo iemand die zegt: niks, in de eerste plaats om zich heen kijkt: wat denken de mensen van mij, wat zullen ze zeggen, en wat zullen ze met me doen? en naar zichzelf kijkt: wat vind ik er zelf van en wat doe ik er zelf mee? Allemaal zo 'horizontaal'. Maar de catechismus kijkt eerst naar boven, 'verticaal': wat vindt God van mij? Is het in orde tussen God en mij. En met dat contrast tussen die twee antwoorden licht een grote vooronderstelling van zondag 23 op, die niet wordt uitgesproken, maar die op de achtergrond de hoofdrol speelt: het allerbelangrijkste, het beslissende in je leven is niet hoe mensen over je denken, of ze je een geschikte meid of kerel vinden of zo, of hoe je zelf tegen jezelf aankijkt in je eigen functioneren, maar het belangrijkste is wat God over je denkt en wat Hij van je doen en laten vindt. Die vooronderstelling, dat dat het belangrijkste is, dat is een aangeleerde geloofsvooronderstelling, die niet vanzelf spreekt.

Ja, in de kerk is het gemakkelijk na te zeggen, dat wat God over ons denkt het belangrijkste is. Maar het beleven en vorm geven in ons dagelijks bestaan, dat is veel minder eenvoudig. We worden daarbij ook bepaald niet geholpen door de mensen om ons heen. De meeste mensen laat het immers zo in de normale gang van het leven volslagen onverschillig hoe God over hen denkt. Iedereen kijkt in de eerste plaats om zich heen, 'horizontaal', en of er nog meer is tussen hemel en aarde, - dat is voor later, als je oud bent, of als je ziek bent, of voor bij bijzondere gelegenheden, als wij er behoefte aan hebben. Maar normaal gaat het er in de eerste plaats om hoe we met elkaar omgaan, als medemensen, en met ons gezamenlijk milieu en zo, en dat, dat is belangrijk. En die houding zuigt aan ons. We moeten telkens weer moeite doen om onze blik omhoog te richten, weg van mensenmeningen, naar God: wat zegt Hij ervan? Wat denkt Hij van ons, van mij? En dat is beslissend.


Dat is heel belangrijk, want anders verbleken al die mooie, wonderlijke dingen die zondag 23 ons nu juist op het hart wil binden. Anders vergaat ons ook de lust om door bijbellezen en bijbelstudie steeds meer en steeds beter te leren ontdekken wat God van ons denkt. En dan krijgt die vraag: wat heb ik er nu aan? zomaar die andere kleur, de kleur van: waar is dat nu voor nodig, dat ik dat allemaal geloof? Als je nog jong bent is dat om zo te zeggen met de handen te tasten. Als je op catechisatie al die vijftien zondagen over de Twaalf Artikelen hebt moeten leren (en de rest er nog bij, niet te vergeten), dan kan die vraag van zondag 23 ook wel eens boven komen: wat heb je er nu aan dat je dat allemaal moet leren geloven? Je school is toch veel belangrijker? Voor catechisatie krijg je geen diploma, laat staan voor de jeugdvereniging of je bijbelstudie. En met je belijdenis krijg je echt geen goede baan, zelfs niet als dominee. Zie je wel, dan gaat je blik van boven naar beneden, de aandacht verschuift van wat God vindt naar wat jij er mee kunt doen, hier. En we hoeven niet te denken dat het er veel gemakkelijker op wordt als we ouder worden. Juist als we goed gesetteld zijn, gaan we ons vaak meer aantrekken van wat onze omgeving van ons vindt. We kunnen ons zorgen maken om onze kinderen, dat ze zich zo laten beïnvloeden door 'de groep', maar ondertussen doen we het zelf zomaar ook.

Wat iemand van je denkt krijgt meer waarde voor je, naar mate die iemand belangrijker voor je is. Wat onze ondergeschikten van ons vinden is minder belangrijk dan wat onze baas van ons vindt. Hij zal ons tenslotte de opslag moeten geven die we zo graag willen hebben. Ja, en daarmee stuiten we gelijk ook op die grote vooronderstelling van zondag 23: God is de allerbelangrijkste in ons leven, belangrijker dan je baan, en je club, je gezin, je vrouw, belangrijker dan je hele leven. En hoe Hij over ons denkt, dat is beslissend. Dat geloven wij en dat stempelt ons belijden ook hier. En of ons dat voor de mensen vreemde vogels maakt, dat is een vraag van de tweede orde, Paulus zou zeggen: vuilnis. En dat geloof moeten we ons telkens weer te binnen brengen, zeker in onze tijd, waarin God in de beleving van velen geen rol speelt. Daar moeten we ook elkaar aan helpen herinneren en bij opscherpen: wat vind je nu echt belangrijk in je leven? Voor een christen is dat wat God over hem denkt beslissend.


En dat wat God over ons leven zegt, dat dat beslissend is, dat geldt zowel naar de negatieve als naar de positieve kant. Ook de negatieve kant van ons leven: wat er allemaal op ons aan te merken valt, wordt in de eerste plaats blootgelegd door Gods spreken. Allerlei kritiek van mensen op ons is niet zo belangrijk. En ook hoe wij vanuit onszelf over onszelf denken, of wij een hoge pet van onszelf ophebben of juist niet, is niet belangrijk. Nee, Gods woorden doen zonde kennen - zonde niet alleen in concrete daden, kwade daden, maar ook in de diepe zondigheid die, in alle agressiviteit, in ons woont. In de beschrijving van die ellendigheid in antwoord 60, valt zondag 23 terug op dat deel van de catechismus dat we al een hele tijd geleden gehad hebben, het deel over onze ellende. Maar, we vinden die zondagen hier terug, om zo te zeggen in verwerkte vorm: al klaagt mijn geweten mij aan. Er wordt niet meer direct gezegd: we kennen onze ellende uit de wet van God, nee, we hebben onze ellende leren kennen uit Gods wet. En wat God zegt, ook in zijn wet, is beslissend voor ons. We stemmen er mee in. Als de Godswoorden van de wet geklonken hebben, dan gaan ze resoneren, weerklinken, in ons geweten. We vinden het zelf ook.

En dat is goed, dat hoort ook zo te blijven. En om te voorkomen dat wij door onze tactische vergeetachtigheid of onverschilligheid ons geweten van een geluiddempende en de akoestiek bedervende laat voorzien, wordt die wet iedere zondag weer gelezen. Gods spreken over ons leven is immers beslissend. Zo moet het ook functioneren in ons leven. Want dat spreken is waar. Het is waar wat ons geweten in aansluiting aan Gods spreken zegt: dat we zwaar gezondigd hebben en nog altijd uit zijn op elk kwaad. Dat is waar en dat moeten we goed vasthouden, want het is de grond voor de verwondering die heel deze zondag, en wel in het bijzonder antwoord 60 doortrekt. Juist als we zien dat God onder de wet de hele wereld de mond stopt en strafwaardig maakt - ook ons - dan blinkt dat onverwachte van het Evangelie op, dat gerechtigheid van God buiten de wet om verschijnt in Christus Jezus, onze redder. Er is nog een woord van God over ons leven, een tweede, verlossend woord. En als je dat gelooft, dan heb je het.


Dat is het antwoord op die vraag 59: wat hebben wij eraan dat wij alles geloven wat God ons in het evangelie belooft? Wel, dat God beslissend positief spreekt over ons leven: dat is goed, joh, zo wil Ik je hebben - en houden. Als je dat allemaal gelooft wat Ik je beloof, dan is het weer goed tussen ons. Dan is het weer goed tussen God en ons. Ik zeg het expres zo. Dan krijgen misschien die overbekende woorden als 'voor God rechtvaardig' weer nieuwe kleur - een kleur die wellicht ook beter past bij ons dagelijks leven, waarin we zo vaak ruzie hebben, elkaar onrecht aandoen. Dan is de vraag: hoe kan het weer goed worden tussen ons, hoe kan ik het weer goedmaken? Dat is de taal van de dag. Zo is het ook met God, die wij verdriet aandoen met ons kwaad. Ik weet wel dat zo'n sjiek woord als 'voor God rechtvaardig' ook allerlei gedachten aan de rechtbank met zich meevoert, en aan het grote oordeel van God, de grote Rechter over hemel en aarde, maar dat laten we nu maar liggen. Antwoord 61 varieert trouwens zelf ook: 'voor God aangenaam zijn', dat betekent toch dat God zegt: dat, dát is goed, zo wil Ik je hebben.

En dat positieve spreken van God over ons leven: Als je dat allemaal gelooft wat Ik je beloof, dan is het weer goed tussen ons, dat spreken is evenzeer beslissend over ons leven als dat eerste, het negatieve, ja, het is nog meer beslissend, omdat het dat negatieve: Je bent een zondaar - omdat het dat negatieve in zich opneemt. Toch, toch, toch, ook al is dat allemaal zo, prut en ellende met ons, toch, desalniettemintegenstaande. Het is de kunst van het evangelie dat het die twee uitspraken van God, die negatieve: je bent en zondaar, en die positieve, het is weer goed, dat het die verbindt en tot één uitspraak maakt: evangelie. En het is de kitsch van allerlei mensenmeningen over God en zijn evangelie, dat ze die uitspraken niet verbinden, maar naast elkaar laten staan of ná elkaar zetten.


Want wij moeten altijd iets doen, nietwaar?, en zo min mogelijk geloven. Maar als we iets gaan doen, dan vallen we voluit onder de wet, onder dat eerste, negatieve spreken van God. Wij zijn zondaars, dat is waar. Doe een mond open en het blijkt, stel een daad en het is een zondige daad. Maar hier is het alles geloof wat de klok slaat: als je gelooft wat God in het evangelie allemaal over je leven zegt, dan is het goed tussen Hem en ons. En dat is voor mensen een heel wonderlijke manier van het goedmaken. Als wij mensen, onderling, iets willen goedmaken, dan gaan wij iets doen (we kopen een bosje bloemen om te beginnen), of tenminste beloven wij dat we het noooooit meer zullen doen. In ieder geval ligt altijd het initiatief voor dat goedmaken bij degene die iets goed te maken heeft, die de schuld draagt. En vaak, ellendig genoeg, komt er niks van terecht en blijft die niet-goedgemaakte schuld de verhoudingen verzieken.

Maar hier, hier bij God, gaat dat anders. Hij neemt het initiatief, ook al heeft God niet de schuld, ook al heeft God niets goed te maken. Hij doet het toch voor ons, onvoorstelbaar. En als je dat gelooft, dan is het goed. Daar hoef je verder niets voor te doen, zelfs niet voor te beloven, alleen maar te geloven wat God belooft in het Evangelie: dat dat waar is en vertrouwen dat dat ook voor ons geldt: zondag 7, die hier in zondag 23 overduidelijk terugkomt. Twee uitspraken van God over ons leven, allebei beslissend, de een vernietigend, de ander scheppend, ze worden met elkaar verbonden in één evangelie: het is weer goed tussen God en ons, zondaars. En op de vraag hoe dat kan is maar één antwoord: Christus. Christus is de spil die die twee uitspraken van God over ons leven verbindt: die negatieve, dat we diepe zondaars zijn die sterven moeten, en die positieve dat het goed is tussen God en ons en dat we leven zullen. Want die negatieve uitspraak, dat oordeel, heeft Hij, die geen zonde heeft gekend, voor Zich laten gelden. En dat oordeel was waar, beslissend waar: Hij is er aan gestorven. En nu wil Hij zijn glanzende zondeloosheid voor ons laten gelden en ze aan ons uitdelen: het is weer goed, werkelijk, beslissend werkelijk. Niks is er meer te doen voor ons, alleen te geloven.


En geloven wil zeggen: aannemen wat Christus uitdeelt. De ware Christus deelt uit, gratis. Daar kunnen we Christus aan herkennen: Hij eist niet, Hij geeft. Hij is de ware Zoon van de ware God, de God die geeft. We zijn hier in het hart van het christelijk geloof, de kern, de telkens weer omstreden kern. Ik zal maar weer wat contrast aanbrengen voor de duidelijkheid. Op de vraag hoe het weer goed kan komen tussen God en ons gaf de roomskatholieke leer het antwoord: mensen, jullie moeten in de eerste plaats zelf goed je best doen om het weer goed te maken, zelf goed je best doen om te leven volgens Gods geboden - en niet te vergeten de geboden van de kerk. Dan kom je een heel eind, maar, toegegeven, er zitten nog wat tekortkomingen aan. Je haalt de volmaaktheid niet helemaal. Maar het eerste begin is er. Hen die doen wat ze kunnen, die zal God niet afwijzen. Want de rest, de rest wil Christus wel aanvullen. Als jij eerst maar je best doet, dan doet Christus de rest. Dat hoort bij elkaar: als wij eerst ons best moeten doen dan zal Christus de rest wel doen.

En nu is dat natuurlijk rooms, en wij zijn niet rooms. Maar er zijn nog wel meer manieren dan die roomse om je best te doen voor God. Ook hele verradelijke. Dan komt bijvoorbeeld het woordje 'echt' of het woordje 'waar' om de hoek kijken. Dan zeggen mensen bijvoorbeeld dat je eerst vreselijk bedroefd moet zijn geweest over je zonden vóórdat je echt kunt zeggen dat de gerechtigheid van Christus voor jou is. - Paulus zou kunnen zeggen: heb ik dan niet duidelijk genoeg gezegd dat uit werken der wet (dat is: eerst dit en dat doen en dan zul je leven) geen vlees, geen mensenkind voor God gerechtvaardigd zal worden?! Als wij eerst het een en ander moeten opknappen vóór het goed kan komen tussen God en ons, dan zal het nooit goedkomen. Dan merk je alleen nog maar sterker dat je een zondaar bent die het alleen nog maar erger maakt. Zo worden die twee uitspraken van God over ons leven nooit één, zo blijven we hangen in de eerste, dat we zondaars zijn (zoals bij ultragereformeerden vaak gebeurt), of leunen we alleen maar op de tweede en doen we aan de eerste tekort (zoals bij de roomsen vaak gebeurt). De werkelijke vreugde van het evangelie is dan ver te zoeken, want die is juist dat zondaars toch weer goed voor God staan.


En dit soort mensenmeningen over hoe het weer goed komt tussen God en ons kun je altijd herkennen aan het beeld wat zij van Christus tekenen. Zij tekenen ons een Christus die bij ons komt staan met de handen op de rug. En zo te zien zit daar heel wat in. Maar Hij zegt tegen ons: eerst jij en dan Ik, of: eerst jij echt en dan Ik. Ga jij eerst nu maar eens je best doen en laat je goeie wil nu maar eens blijken, en dan... Of: ga jij nu eerst maar eens in een hoekje zitten huilen, Ik wil wel eens zien of je echt berouw hebt van je zonden, of dat het alleen maar spijt is. Zo'n Christus, die niet uitdeelt, dát is nu de satan die zich voordoet als een engel van het licht. Want de echte Christus komt anders bij ons binnen. Het Evangelie waar we Hem in ontmoeten is dan ook geen mensenboodschap. Zoiets kan alleen God verzinnen. Christus komt buiten de wet om naar ons toe. Alle voorwaarden waar wij aan zouden moeten voldoen schuift Hij aan de kant. Hij stapt op ons toe met al zijn schatten - niet op zijn rug, maar - voor zich: volkomen voldoening, gerechtigheid en heiligheid voor God: laten we zeggen: het is weer helemaal goed tussen God en ons, dat heeft Hij in orde gemaakt door zijn lijden. En Hij stopt al die schatten, genoeg voor een leven lang, zomaar in één keer in onze handen. De ware Christus deelt uit: hier, voor u, voor jou, ga er maar mee naar God, Hij is al niet boos meer, dat heb Ik verdiend met mijn lijden, omdat Ik zoveel van je houd. Pak aan!


Dat is alles. Rechtvaardiging door het geloof, dat is deze Christus in de ogen zien, die voor ons zijn gebroken, en Hem zeggen: Heer, mij geschiede naar uw woord.

Want wij zijn bedelaars, dát is waar. Amen.


<<<