Heidelbergse Catechismus, zondag 34

Orde van dienst (Middelburg middagdienst)
Psalm 147,1
Psalm 147,7
lezen Jesaja 45
Psalm 52
Zondag 34
Psalm 135, 3.10.11
Psalm 73,10.11

Texel 17/06/90
Loenen-Abcoude 04/09/94
Weesp-Nigtevecht 04/09/94
IJmuiden 12/01/97
de houdbaarheidsdatum van deze preek is verstreken

<<<


Broeders en zusters, geliefd in onze Heer, Jezus Christus,


Gods geboden komen niet van een vreemde. Dat is wat de duivel ons wil laten geloven, dat Gods geboden de harde geboden van een vreemde zijn, of de onwerkelijke geboden van een wereldvreemde, of van iemand die eigenlijk niet zoveel met ons te maken wil hebben en ons zo op een afstand houdt. Gods geboden komen juist van diegene die ons het meest nabij is, en die ons het meest liefheeft. Het zijn de geboden van iemand die ons kent tot op de bodem, en die weet wat het leven te bieden heeft. Vanuit deze kerngedachte wil ik de komende weken met u luisteren naar de tien geboden in de catechismusprediking. De geboden zijn stuk voor stuk afkomstig van de God die naast ons staat en met ons mee leeft in alle dingen, die weet waar wij behoefte aan hebben en wat wij nodig hebben. Dat geloven wij. Dat leert ons ook de formulering van de tien woorden, die telkens weer spreekt van de HERE, úw God. Dat persoonlijke, bijna intieme, in dat officiële stuk mogen we nooit uit het oog verliezen. Heel de verhouding tussen God en zijn volk is in de tien geboden verondersteld. Als wij ze niet horen komen van die God waarmee wij omgaan, iedere dag in het lezen uit de bijbel en in het gebed, zullen we de tien geboden altijd misverstaan. Als God een vreemde voor ons is geworden, omdat wij van Hem vervreemd zijn, dan worden zijn geboden ook vanzelf hard, en wereldvreemd en houden ze ons op een afstand.

Nu is de enige manier om ervoor te zorgen dat iemand niet van je vervreemdt: met hem omgaan, jezelf voor hem openstellen en aan hem geven. Met God is dat niet anders. Daarom is een intensief gebedsleven de eerste voorwaarde voor het begrijpen en het houden van Gods geboden. Alleen daarom al is het gebed het voornaamste van de dankbaarheid die God van ons eist. De diamant van de gehoorzaamheid hoort in de vatting van het gebed. Dat geldt alles zeker van het eerste gebod. Als je antwoord 94 leest, valt op hoe centraal dat ene woordje al, alle, alles daarin staat. Alles voor God, alles voor Hem opgeven, alles ontvluchten wat ons vertrouwen van Hem af zou kunnen trekken, alles verwachten van Hem, van Hem alleen. Alles is niet niks. Wie mag dat eigenlijk vragen? Zulke dingen mag je alleen vragen als je inderdaad de enige ware en de enige goede God bent. En zo kennen we God toch?, zo gaan we met Hem om. En bovendien: alles voor God alleen, wie van ons kan dat geven? De enige manier waarop wij dit een beetje vorm kunnen geven in ons leven is in intensief gebed; gebed tot de enige ware God en gebed tot de enige goede God, de God die we kennen.


Gods geboden komen niet van een vreemde. Dat is wat de satan ons wil laten geloven. De satan doet niet anders dan proberen ons van God te vervreemden. En hij heeft sterke bondgenoten. Zo worden wij juist bij dit gebod verschrikkelijk gehinderd doordat God en zijn werken zo weinig werkelijk voor ons zijn. Wij hebben als mensen van de late twintigste eeuw grote moeite ons concreet iets voor te stellen bij God, onze Vader, en zijn werken. Om ons heen leven de mensen hun eigen leven, zonder zich van God iets aan te trekken. Dat gaat prima. Het lijkt zo te zijn dat als God zich al met de gang van zaken hier op aarde bemoeit, daar in ieder geval weinig van te merken valt. Hij is een God die zich verborgen houdt. We zullen daarom onze eigen maatregelen moeten nemen, om het leven heelhuids door te komen. Al die schepselen waartussen wij leven, zijn voor onze beleving veel werkelijker dan de wil van God, waarvoor wij ze zouden moeten prijsgeven. En ongemerkt leven wij ons leven zonder God en zijn werk nog al te serieus te nemen. Gods werk in zijn voorzienigheid, dat ons leert alleen op Hem te vertrouwen, Gods werk in zijn regering van de wereld in Woord en daad, dat ons leert ons met alle ootmoed en geduld alleen aan Hem te onderwerpen, Gods werk in zijn goede zorg voor ons, dat ons leert al het goede alleen van Hem te verwachten, het verbleekt maar al te gauw voor ons en daarmee vervreemden wij van God en verkilt onze verhouding met Hem.

Dan verharden zich ook zijn geboden voor ons. De korte inhoud van het eerste gebod is immers dat God in zijn werk serieus genomen wenst te worden. Hij is de enige ware God, die de hemel en de aarde heeft geschapen en ze nog verzorgt en bijhoudt, die alle mensen geeft wat ze nodig hebben en sommigen meer dan dat, en Hij wenst niet door de mensen met de nek te worden aangekeken, terwijl de eer voor al zijn werk ergens anders heen gaat. En geef Hem eens ongelijk!.. Maar als je Hem zo niet kent, of zo niet ziet, dan is dit een hard gebod. We kunnen voor onze genezing vertrouwen op de deskundigheid van de artsen die ons behandelen, maar God wenst het niet mee te maken dat wij Hem die de genezing werkelijk geeft zouden vergeten. Wij kunnen voor ons dagelijks brood vertrouwen op deskundige belangenbehartigers, die in de harde onderhandelingen van de CAO voor ons een goede boterham zullen veroveren, maar God zegt ons in dit gebod: heb het hart eens.. wie bid jij eigenlijk om je dagelijks brood? En wie geeft het je? Juist als we Hem zo zien, als de enige ware God, dan begrijpen we ook dit gebod.

Als God en zijn werken voor ons besef verbleken en er vervreemding komt tussen Hem en ons, door onze schuld, worden zijn geboden ook wereldvreemder. De enige ware God die de aarde regeert wordt voor onze beleving dan teruggedrongen in het kleine hoekje van ons privé-leven. Alleen op God vertrouwen, je aan Hem onderwerpen, al het goede van Hem alleen verwachten, Hem met heel je hart liefhebben, dat doe je maar thuis, of in de kerk, op zondag, maar in de week moet je gewoon je werk doen en verder niet zeuren. Ja, iedereen weet wel op je werk dat je gelovig bent, maar verder ben je niet onaardig en zij zitten op voetbal. Maar God wil in al zijn werken serieus genomen worden. Hij is koning over de hele aarde. Hij laat zich niet uitbannen naar het benauwde hoekje van het privé-leven van de gelovigen. Hij regeert de overheden en de verschillende krachten in de maatschappij. Hij zei het al tegen Kores: Ik gordde u, hoewel u Mij niet kende, opdat men het van oost tot west wete, dat er buiten Mij niemand is.


Heel die vervreemding van God die in de lucht hangt, hindert ons enorm bij ons leven naar dit gebod. Zeker bij dit gebod. Want inderdaad, de tien geboden veronderstellen alle tien de omgang met God: úw God. Maar het eerste gebod gebiedt die omgang ook. U zult geen andere goden hebben naast Mij: dat betekent niets en niemand anders hebben waar je je vertrouwen op stelt, met wie je omgaat om alles van hem te verwachten. Met Mij moeten jullie omgaan. We lazen het bij Jesaja: Vraagt Mij naar de toekomstige dingen, (en loop niet naar orakels, wichelaars en voorspellers die bij afgoden horen) vertrouwt Mij mijn zonen toe en het werk van mijn handen (en wijdt ze niet aan anderen). Geef je leven in mijn handen, zoek Mij, ga met Mij om als de enige God die er is. Het is net zoiets als met een huwelijk: als een vrouw tegen haar man zegt: ik wil niet dat je het met een ander houdt, dan bedoelt ze: leef met mij! Ga met mij om. Zo is het precies bij dit gebod. Als God zegt: geen andere goden naast Mij, dan bedoelt Hij: Leef met Mij, ga met Mij om! Er is geen God behalve Ik, een rechtvaardige, verlossende God is er buiten Mij niet.


Ga met Mij om! Gods geboden zijn niet van een vreemde, maar ook niet van een afstandelijke God. Het is niet zo, dat God ons zijn geboden geeft en dan zelf een straatje om gaat, of andere dingen doen. Hij geeft ons zijn gebod: geen andere dingen naast Mij waarop je je vertrouwen stelt. Hij blijft er dan zelf bij, met de kracht van zijn Geest en de vergeving van zijn Zoon. Pas als wij ons dan in onze zonden van Hem laten vervreemden lijkt het net alsof Hij ons met dat gebod op een afstand wil houden. Alles voor God, alles opgeven voor God, alles verwachten van Hem, van Hem alleen, wie kan dat geven? En inderdaad, niemand kan dat, los van God. Maar als wij leren zien, dat God helemaal niet de bedoeling heeft ons met zijn geboden te laten zitten, maar juist om samen met ons zijn geboden te volbrengen, zien we dat Hij de afstand tussen Hem en ons juist wil verkleinen. Ga met Mij om! niet met die anderen! Bidt tot Mij, hoor naar Mij! En wat hebben we veel om met Hem te bespreken nu Hij ons zijn goede geboden heeft gegeven.


En in dat alles zien we Hem ook als de enige goede God. Hij verbiedt ons naar anderen om te zien en helpt ons bij het alleen naar Hem opzien, en verlost ons zo tot de ware vrijheid, in de gemeenschap met Hem, de enige rechtvaardige, verlossende God. Gods goedheid blijkt alleen al uit de gave van dit gebod zelf. Er zit een werkelijkheid achter dit gebod die wij zien in het geloof: God is echt de enige ware God. Hij is de enige bron van al het goede. Hij geeft ons dit gebod dus niet om ons kort te houden, maar juist om ons de ruimte van de waarheid te geven en ons te beschermen tegen de gevaren van de leugen. Als mijn heil mij lief is, zegt de catechismus, moet ik alle afgoderij, toverij, waarzeggerij, bijgeloof, aanroeping van heiligen of van andere schepselen vermijden en ontvluchten. Als mijn heil mij lief is, dat is niet om ons bang te maken, zo van als je stout bent krijg je straf. Nee, dat zit een diepe werkelijkheid achter: een rechtvaardige, verlossende God is er buiten God niet.

De Here geeft ons dit gebod om ons te waarschuwen tegen het bouwen van luchtkastelen. Dat doen wij als wij ons vertrouwen op andere dingen dan op God zetten. Als wij voor ons werk meer op onze eigen inventiviteit en werkkracht vertrouwen dan op Hem. Als we voor onze vrede en veiligheid meer op diplomatieke onderhandelingen vertrouwen dan op God. Het bouwen van luchtkastelen is gevaarlijk werk. Als de nood aan de man komt, bieden ze geen toevlucht. Zij hebben geen begrip, die hun houten beeld dragen en bidden tot een god die niet verlossen kan. Vertrouw niet op jezelf: er is niet eens zo'n zware hartinfarct nodig om onze werkkracht te breken.. Vertrouw niet op allerlei horoscopen en voorspellingen, die altijd net iets dubbelzinniger zijn dan je dacht..


God richt ons vertrouwen daarom alleen op Hem, want juist als enige ware God is Hij de enige goede, de enige verlossende God. Juist als het gaat om redding, om genezing, om verlossing is Hij de enige die ons werkelijk iets te bieden heeft. Dat heeft Hij laten zien in de geschiedenis. Als Hij dit eerste gebod spreekt is de uittocht uit Egypte nog niet zo lang geleden. Ik ben de HERE, uw God, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis heb geleid. Dat heeft Hij nog eens getoond in het terugbrengen van Israël uit de ballingschap, en op en top in de zending van zijn Zoon, Jezus Christus. En zo komt Hij ook ons leven binnen, als de vanouds verlossende God. Maar, als de enige verlosser! Dat geloven wij uit zijn Woord. Dat woord heeft Hij niet in het verborgene gesproken, zoals zoveel van zijn andere werk. Maar dit ligt voor ons in alle duidelijkheid. Zo gaan we met Hem om in het gebed. Zo wil Hij dat ook. De eerste en laatste gehoorzaamheid aan het eerste gebod ligt in het gebed tot de enige ware en goede God, waarin we die uniekheid en goedheid prijzen, en er een beroep op doen.

We hebben God leren kennen als de enige ware en goede God uit zijn Woord, en dan ook uit zijn daden in ons leven. Uit zijn Woord leren we ook zijn geboden, waaronder dit, dat Hij de enige zal zijn in ons leven. Vanuit het leven in het gebed tot deze God krijgen wij krachten om ook aan dit gebod te gehoorzamen, om tot onze eigen verbazing wellicht inderdaad op God alleen te vertrouwen. Maar vanuit datzelfde gebed krijgen wij ook een weg om om te gaan met ons eigen tekortschieten ten opzichte van dat gebod, dat gebod wat goed is, dat zien we wel. Als immers ergens Gods unieke goedheid uitkomt dan is het wel in de gave van zijn Zoon. Op zijn leven mogen we pleiten, uit zijn leven mogen we nieuwe krachten putten. Onze gehoorzaamheid wordt afgemaakt door ons gebed, omdat dat ons met Christus verbindt. Ook onze zonden tegen dit gebod heeft Hij gedragen. Zo heeft Hij het ons op het hoogst laten zien wie God is. Wendt u tot Mij - bid! - en laat u verlossen, alle einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer. Zó is Hij God, de goede God, als Hij in Christus is. Zó wil Hij ons alles zijn.


Daarom zit de gehoorzaamheid met de daad aan het gebod van de goede God om ons niet aan allerlei machteloze afgoden te misgaan inderdaad ingeklemd in het gebed. De diamant van de gehoorzaamheid hoort in de vatting van het gebed. Zij komt voort uit het gebed om kracht tot de God die wij hebben leren kennen uit zijn Woord, en loopt uit op het gebed van dank tot diezelfde God, de enige en de ware, de enige en de goede. Amen.


<<<