Heidelbergse Catechismus, zondag 38

Orde van dienst (Middelburg morgendienst)
Gezang 38,1-3
Gezang 38,4.5.9
lezen Hebreeën 4:1-13
Psalm 122
Zondag 38
Gezang 30,6
Psalm 92,1.2

Orde van dienst (Kampen middagdienst)
Gezang 38,1-3
lezen Hebreeën 4:1-13
Gezang 21,2
Zondag 28
Gezang 4
Psalm 92,1.2

Loenen-Abcoude 20/11/94
Weesp-Nigtevecht 20/11/94
Spakenburg-Z 27/11/94
Gouda 06/07/97
de houdbaarheidsdatum van deze preek is verstreken

<<<


Broeders en zusters, geliefd in onze Heer, Jezus Christus,


De eeuwige sabbat in dit leven beginnen, dat is wat God ons in het vierde gebod gebiedt naar het 'ten tweede' van antwoord 103, dat we net gelezen hebben. Maar wat moeten we ons daarbij voorstellen? Wat moeten we doen, als we die eeuwige sabbat in dit leven willen beginnen? Ik heb de indruk dat wij ons, over het geheel genomen, daar niet zo goed raad mee weten, in ieder geval veel minder goed dan met het 'ten eerste' van antwoord 103. Daar is het onbegrip meestal niet veel groter dan de vraag waar toch zo plotseling die scholen vandaan komen - en dat onbegrip is snel weggenomen, zodra uitgelegd is dat daarmee bedoeld worden de scholen voor de opleiding tot de dienst van het Woord, zoals bijvoorbeeld de universiteit in Kampen, of de opleiding in Zaïre. Het zorgen voor die scholen is een onderdeel van de 'instandhouding van de eredienst', en daarmee past alles weer. Maar, zo gemakkelijk als wij het vierde gebod verbinden met kerkgang en zondagsviering, zo moeilijk kunnen we het vaak verbinden met die eeuwige sabbat van het 'ten tweede'.


Dat is jammer, om in ieder geval twee redenen. Ik begin met de minder belangrijke. Als we eens even wat verder kijken dan onze gereformeerde neus lang is en op ons in laten werken wat er vanaf het begin van de kerkgeschiedenis, en in de breedte van de christelijke kerken over heel de wereld over het vierde gebod gezegd is en wordt, dan blijkt dat we in het 'ten eerste' van antwoord 103 - over de onderhouding van en deelname aan de eredienst en over de onderhouding van de zondag als rustdag - te maken hebben met overtuigingen die lang niet door alle christenen werden en worden gedeeld. In de eerste drie eeuwen van de kerkgeschiedenis is de zondag in het geheel niet als rustdag gevierd uit kracht van het vierde gebod en werden ook de erediensten niet op zondag belegd omdat dat in het vierde gebod geboden werd. Ze werden eenvoudig op die dag belegd omdat het de dag van Christus' opstanding was. En nog zijn er vele christenen die de verbinding tussen het vierde gebod en de zondag en de erediensten niet zo leggen als het hier in de catechismus staat. Maar, wat in het 'ten tweede' van zondag 38 staat, over de eeuwige sabbat die in dit leven al begint, is van het begin van de kerkgeschiedenis af de gemeenschappelijke overtuiging van bijna alle christenen. Wie deze overtuiging niet deelt, is meestal alleen in naam nog christen. Welnu, het is jammer als wij dat wat ons van anderen scheidt meteen paraat hebben, terwijl we ons bij dat wat ons met anderen verbindt maar weinig kunnen voorstellen. Dat was de minder belangrijke reden.


De belangrijker reden waarom het jammer is als we niet zo goed weg weten met het beginnen met die eeuwige sabbat is, dat juist dit 'ten tweede' van de Catechismus de doorgaande lijn van het nieuwtestamentische onderwijs over het vierde gebod weergeeft. Deze formuleringen van de Catechismus geen handen en voeten kunnen geven in je leven betekent, denk ik, meestal ook: geen goede aansluiting op het nieuwe testament hebben. Daarom gaan we het dus vanmorgen maar eens over dat 'ten tweede' hebben. De vraag waar het in deze preek om draait is: wat betekent het concreet in je eigen leven, dat je de eeuwige sabbat in dit leven begint? Vóór we daaraan toe komen moeten we eerst even stilstaan bij een voor-vraag: wat wordt er met die eeuwige sabbat eigenlijk bedoeld? Wat is het eigenlijk dat we dan in dit leven beginnen?


Zoals uit de tekstverwijzing bij het 'ten tweede' (nootje 7) duidelijk kan zijn gaat het bij die eeuwige sabbat om de sabbatsviering waarover gesproken wordt in Hebreeën 4,9. Dat gedeelte hebben we net samen gelezen. Zoals in zijn hele boek is de schrijver aan de Hebreeën ook hier bezig zijn lezers in te prenten dat ze vol moeten houden in hun geloof in Christus. Door dat geloof zijn ze immers deelgenoten van Christus geworden (3,14), aan Christus moeten ze zich dan ook vasthouden. Wie zich aan Christus vastklemt in geloof krijgt door Hem dan ook deel aan 'de toekomende wereld', waar Christus de baas over is (2,5). Dat is zeker, zolang we bij Christus blijven. Daarom prent de schrijver aan de Hebreeën ons in dat we het moeten volhouden ons aan Christus vast te klemmen. Hij doet dat in hoofdstuk 3 en 4 vanuit Psalm 95. De 'toekomende wereld' uit hoofdstuk 2 wordt hier 'de rust die God geeft' genoemd. Die rust verbindt de schrijver nu met Gods eigen rusten na gedane scheppingsarbeid. Nadat Hij in zes dagen de hemel en de aarde met alles erop en eraan gemaakt had ging God op de zevende dag niet meer verder met scheppen. Hij was klaar, en rustte op de zevende dag van al zijn werken (4,4). Aan die rust van het klaar zijn met al je werk, wil God zijn volk deel geven in de toekomende wereld. Daar zullen ook wij klaar zijn met al onze werken en er met blijdschap van kunnen uitrusten en op terugzien. (4,10). Dat staat ons te wachten, dat ligt voor ons klaar: een grote sabbatsviering in de toekomende wereld. Waar gaat het dus om bij die 'eeuwige sabbat'? Dat heel ons leven, met alles erop en eraan, volkomen tot rust gebracht wordt op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.


Goed, dat is mooi, en dat verwachten wij ook, - toch? Maar hoe kunnen wij nu, in deze wereld, beginnen met de eeuwige sabbat die ons in de toekomende wereld gegeven wordt? Is die eeuwige sabbat niet veel te ver weg om hier al mee te beginnen? Ik denk dat de meesten van ons dat gevoel wel kennen, dat die toekomende wereld van Hebreeën mijlen ver weg lijkt. Het is iets voor ná dit leven. En wij gaan er zo lang mogelijk van uit dat wij nog wel tijd van leven zullen hebben. Als we oud worden, of heel erg ziek, dán is het tijd om te denken aan het komende leven. Maar als we jong zijn en gezond, dan zien we nog een heel leven voor ons liggen, in deze wereld wel te verstaan. De toekomende wereld is ver, toekomstmuziek die van zo ver weg komt, dat de herrie van het leven eerst afgezet moet worden om haar te kunnen horen. Het is, dunkt me, dit gevoel van afstand, van nog lang niet toe zijn aan de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, dat verklaart waarom wij zo weinig weg weten in ons leven met dat beginnen met de eeuwige sabbat van Zondag 38. Ons leven, ook ons geloofsleven!, is sterk op het heden gericht. Wat wij geloven moet ons hier en nu steun en troost geven, God moet nu bij ons zijn, we moeten Hem op de één of andere wijze nu ervaren, anders weten we niet of we het nog wel erg lang vol zullen houden als gelovigen. Maar de toekomst, die komt later. De jongste dag is altijd morgen.


Maar, we moeten wel bedenken, met zo'n houding en zo'n visie op de komende wereld staan we heel ver af van de manier waarop Hebreeën hierover spreekt - en trouwens heel het nieuwe testament. Neem nu zo'n formulering: de jongste dag is altijd morgen. Met andere woorden gezegd betekent dat: wij leven in de één-na-laatste dagen. Hebréeën is begonnen met te zeggen dat wij in de laatste dagen leven (1,1). Dat is bepaald wat anders - en daar hoort ook een andere levenshouding bij: vandaag is de jongste dag - en zo is het toch ook, pas morgen is de dag van vandaag niet meer de jongste dag. En wie zal zeggen dat er nog een morgen komt? Op het door God bepaalde moment zal er een dag werkelijk de jongste dag blijken te zijn. Voor het nieuwe testament is de toekomende wereld niet ver, maar juist heel dichtbij: heden, indien u zijn stem hoort, verhardt uw harten niet. We staan als de Israëlieten op de drempel van het beloofde land, niet bij de Schelfzee, maar bij de Jordaan. De toekomst is zó dicht bij, dat de schrijver aan de Hebreeën zegt: wij zijn bezig tot de rust in te gaan, wij, die tot geloof gekomen zijn (4,3). Dat lijkt me precies wat wordt bedoeld met dat beginnen met de eeuwige sabbat in de Catechismus: wij zijn bezig tot de rust in te gaan. En daar moeten we dan ook ernst mee maken (4,11). Dat is de nieuwtestamentische betekenis van het vierde gebod: gedenk de sabbatdag, inderdaad, maak ernst met de eeuwige sabbat, want de week van de geschiedenis van deze wereld is ten einde. We leven in de laatste dagen. Sinds Christus is opgestaan is het elke dag vrijdag, en eens zal het plotseling zaterdag zijn: sabbat voor altijd.


Goed, en nu concreet, dat bezig zijn met tot de rust in te gaan, wat betekent dat voor ons leven? Helemaal samengevat zou je kunnen zeggen: gedenk de komende sabbatdag, door u te heiligen, alle dagen van uw leven. Laten we eens luisteren naar hoe de brief aan de Hebreeën dat verder invult. In de eerste plaats is er een groep uitspraken die ons leert 'des te meer aandacht te schenken aan het evangelie dat wij gehoord hebben, opdat wij niet afdrijven' (2,1). Ook ons is het evangelie verkondigd (4,2): het levert ons eeuwig heil op als wij het in geloof vasthouden. Dat evangelie is het evangelie van Christus, daarom kan de schrijver ons ook op het hart binden ons oog te richten op Jezus, de apostel en hogepriester van onze belijdenis (3,1), de leidsman en voleinder van het geloof (12,2). Aan die belijdenis moeten we vasthouden (4,14; 10,23). Hoe doen we dat dus concreet, de eeuwige sabbat in dit leven beginnen? Door intensief bezig te zijn met de bijbel en dat niet alsof de bijbel een boek met allemaal wetenswaardigheden is, maar met het oog op Christus, onze Heiland. Daarom is het goed om op zondag twee keer naar Gods Woord te horen en de sacramenten te gebruiken; om door de week naar vereniging of bijbelstudie te gaan; om thuis intensief met de bijbel te leven. Hoe meer we zien van Christus, van wat Hij voor ons gedaan heeft en zal doen, des te meer krijgen we ook rust in ons leven, kunnen we al iets proeven van de eeuwige vreugde van straks, des te meer wordt die ook werkelijkheid voor ons.


En er is meer: we heiligen ons ook door in gebed gaan te tot de troon van de genade, om barmhartigheid, genade en hulp te krijgen om het geloven vol te houden (4,16). We mogen vrijmoedig bidden, want Christus heeft zijn volmaakte offer voor ons gebracht. Hij heeft de rust verdiend die wij tegemoet gaan. Daarom kunnen we oprecht, ook in de publieke gebeden in de kerk, als de mensen die we zijn, in de zekerheid van het geloof in Gods genade, als gedoopte mensen, gereinigd en gewassen in Christus bloed van alles wat we hebben gedacht en gedaan tot God bidden (10,22). Dan zal God ons helpen en ons rust geven, nu al, en eens volkomen.


En er is meer: we heiligen ons samen; Hebreeën leert ons ook in zaken van geloof en leven op elkaar te letten: vermaant elkaar dagelijks, zolang men nog van een heden kan spreken, opdat niemand van u zich verharde door de misleiding der zonde (3,13). We moeten op elkaar acht geven en elkaar aanvuren tot liefde en goede werken, en juist daarom onze bijeenkomsten niet verzuimen (10,24v). Het gaat er dus niet maar om dat we netjes twee keer naar de kerk gaan, maar dat we dat doen om elkaar, en elkaar er ook werkelijk ontmoeten, en ook de andere dagen van de week vragen naar hoe het gaat, letten op de ander - en dat niet alleen met woorden, maar ook met daden van christelijke barmhartigheid. God wil ons immers samen de eeuwige sabbat geven. Daarom moet iedereen het volhouden te geloven. En daarbij hebben we niet alleen steun aan elkaar zoals we hier zitten, maar ook aan de hele kerk van alle tijden en plaatsen. De wolk van geloofsgetuigen uit de oudtestamentische kerk van Hebreeën 11 is in het nieuwe verbond alleen maar groter geworden.


En er is meer: in 12,1 gaat de schrijver verder: Daarom dan, laten ook wij, nu wij zulk een grote wolk van getuigen rondom ons hebben, afleggen alle last en de zonde die ons zo licht in de weg staat, en met volharding de wedloop lopen die vóór ons ligt. Trekkers onderweg hebben geen behoefte aan zware bepakking. Laat uw wijze van doen onbaatzuchtig zijn, wees tevreden met wat u hebt, zegt Hebreeën 13,5 dan. Hier beginnen met de eeuwige sabbat betekent dus ook: als wij onderhoud en onderdak hebben, dan moet ons dat genoeg zijn, want wij hebben niets op de wereld meegebracht en kunnen er ook niets uit meenemen (1Tim6,7v). - Niemand mag zich verharden door de misleiding der zonde, hoorden we in 3,13, want juist door ongehoorzaamheid konden de Israëlieten het beloofde land, de rust, niet binnengaan. Heel terecht zegt de Catechismus dan ook dat het hier beginnen met de eeuwige sabbat betekent dat wij alle dagen van ons leven onze slechte werken nalaten. Wij zijn immers in ons leven vandaag bezig de nieuwe hemel en de nieuwe aarde binnen te gaan. Dat is de toekomende wereld waarop gerechtigheid woont. Daarbij past geen zonde, geen cirkelen rond jezelf, geen egoïsme en zelfzucht. Alle daden die daaruit voortkomen zijn een stok tussen je benen waarover je valt.


En dit zijn nog maar een paar onderdelen van alles wat Hebreeën zegt. Leest u zelf thuis de hoofdstukken 12 en 13 nog maar eens door. Tot in détail wordt het uitgewerkt, het beginnen van de eeuwige sabbat. In ieder geval betekent het werkelijk bijbellezen, bidden, naar de kerk gaan, op elkaar letten en elkaar aansporen, niet vastzitten aan bezit en goederen, breken met het kwaad. Allemaal dingen die God ons vandaag in het vierde gebod gebiedt. Samengevat zou je dus kunnen zeggen dat het vierde gebod voor ons in het nieuwe testament de klank krijgt van: gedenk de komende sabbatdag door u te heiligen, helemaal te wijden aan God, alle dagen van uw leven. Het is het gebod dat hoort bij het slot van de geloofsbelijdenis van Nicea: wij verwachten het leven van de komende eeuw. Gedenk de sabbatdag: verwacht dat leven van de komende eeuw werkelijk en laat je leven in deze eeuw daardoor bepalen.


Positief vult Zondag 38 dat verder in met dat wij de Here, dat is de Heer, namelijk Christus, door zijn Geest in ons laten werken. Ook dat hoort bij het beginnen met de eeuwige sabbat. Want wat de Heilige Geest ons geeft aan vruchten en gaven, dat is afkomstig uit de toekomst en wordt gegeven met het oog op die toekomst. Dat hoort bij de Heilige Geest. Daarom wordt Hij ook 'Eersteling' genoemd (namelijk van wat komt) of 'Onderpand' (dat namelijk Gods beloofde toekomst zeker komt). In wat dan de vruchten van de Geest heten zie je al hoe het later helemaal gaat worden. liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing (Gal5,22). Dat zijn geestelijke dingen, inderdaad, maar ze doortrekken het hele leven, ze omvatten lichaam en ziel, individu en gemeenschap. En zo past dat ook: we zijn niet op weg naar de geestelijke sabbat, maar naar de eeuwige sabbat. De rust die God geeft op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde is niet alleen rust voor onze ziel, of onze geest, maar ook voor ons lichaam en voor ons als gemeenschap van mensen. Als de toekomende wereld er is, dan zijn daar allemaal complete mensen, die samen bij elkaar horen en gemeenschap hebben in liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing. Juist omdat we daarheen op weg zijn, zijn dát de vruchten van de Geest. En die proeven we nu al, als we ons, als complete mensen, in heel ons leven, door Christus' Geest laten leiden. Zo wil God dat van ons, in het nieuwe testament: gedenk de komende sabbatdag door u te heiligen.


Laten wij ons dan ook heiligen, positief, door de heilige Geest in ons te laten werken. Maak het maar weer concreet voor uzelf: heb inderdaad uw naaste lief (zelfs uw naaste), wees blij, ondanks alles, want God zal uw tranen afwissen, wees uit op vrede, want wat is hier zo belangrijk dat we daar ruzie om moeten maken, heb geduld (ook met irritante types), wees vriendelijk en goed, trouw en zachtmoedig, denk maar aan Christus, de leidsman van ons geloof, beheers uzelf, als u gelijk hebt weet God dat ook wel. Doe dat, en u zult merken: de eeuwige sabbat begint al werkelijkheid te worden in uw leven. Dat wil God. Amen.


<<<